Conclusie
(hierna Street-One)
1.Feiten en procesverloop
In een mail van 10 november 2010 schrijft [betrokkene] van Street-One aan [eiser]:
Inleidende beschouwingen naar aanleiding van het principale en het incidentele beroep
door een derdein opdracht van de franchisegever uitgevoerd vestigingsplaatsonderzoek. Volgens het cassatiemiddel in de zaak rustte op Lampenier als franchisegever de plicht om ervoor te zorgen dat de prognoses berustten op een deugdelijk haalbaarheids- of marktonderzoek en moest het externe onderzoeksbureau worden aangemerkt als een hulppersoon van Lampenier als bedoeld in art. 6:76 BW Pro. Uit de aangehaalde overwegingen is duidelijk dat dit uw Raad te ver ging en dat dunkt mij nog altijd juist. Indien het door de derde verrichte onderzoek ondeugdelijk was, zal de franchisenemer veelal die derde kunnen aanspreken uit onrechtmatige daad (art. 6:162 BW Pro). Dat geldt in ieder geval indien de derde zich bewust behoorde te zijn van de mogelijkheid dat het rapport aan een aspirant-franchisenemer ter beschikking zou worden gesteld. In dat geval behoorde de derde immers te begrijpen dat die aspirant-franchisenemer zijn verwachtingen mede op de inhoud van het rapport zou afstemmen. Voor aansprakelijkheid van de franchisegever die het rapport van de derde met een aspirant-franchisenemer deelt, bestaat daarentegen niet spoedig aanleiding. De franchisegever heeft het onderzoek immers aan de derde uitbesteed en vertrouwt ook zelf op de inhoud van dat onderzoek. Slechts in het geval dit vertrouwen misplaatst was, valt aan aansprakelijkheid van de franchisegever te denken, of in geval van de toepasselijkheid van art. 6:170-6:172 BW (vergelijk de tweede alinea van de aangehaalde rechtsoverweging 3.4 van het arrest Paalman/Lampenier).
zelfonderzoek heeft gedaan en op basis van onjuiste gegevens een prognose verstrekt, daarvoor niet aansprakelijk zou zijn, behoudens voor zover de franchisegever wéét dat de prognose ernstige fouten bevat en de wederpartij daarop niet opmerkzaam maakt. In die zin luidt ook het incidentele cassatiemiddel.
onzorgvuldigis tot stand gekomen. Niettemin meent de rechtbank dat gelet op het arrest Paalman/Lampenier geen sprake kan zijn van een tekortkoming en dat ook het beroep op onrechtmatige daad moet falen. Gelukkig voor de franchisegever komt deze wel verder met het wilsgebrek dwaling in combinatie met wijziging van de overeenkomst op grond van art. 6:230 BW Pro.
gekwalificeerd verwijtkan worden gemaakt dat welbeschouwd neerkomt op opzet of bewuste roekeloosheid. Welnu, voor een dergelijke beperkte aansprakelijkheid bestaat geen enkele grond. De franchisegever die zelf onderzoek doet met (mede) de bedoeling de resultaten van dat onderzoek in de vorm van een prognose aan aspirant-franchisenemers te verstrekken, behoort zich bij de uitvoering van dat onderzoek te realiseren dat die aspirant-franchisenemers hun verwachtingen in belangrijke mate op die prognoses zullen afstemmen en behoort daarom mede met het oog op het belang van deze aspirant-franchisenemers dat onderzoek zorgvuldig in te richten en uit te voeren. [10] Ook anderszins behoort hij bij het verstrekken van prognoses zorgvuldig te handelen, wat onder meer zal kunnen meebrengen dat hij behoort te waarschuwen voor de betrekkelijke waarde van de verstrekte prognoses. Ieder terecht verwijt van gebrek aan zorgvuldigheid is mijns inziens voor aansprakelijkheid voldoende. Die aansprakelijkheid valt te baseren op onrechtmatige daad (art. 6:162 BW Pro) en in het geval dat een overeenkomst tot stand komt mijns inziens ook op tekortkoming (art. 6:74 BW Pro), namelijk een tekortschieten in een reeds in de precontractuele fase bestaande zorgplicht van de franchisegever.
of had behoren te weten’, waaraan het hof dan nog toevoegt ‘en/of haar anderszins een verwijt ter zake valt te maken’.
3.Bespreking van het cassatiemiddel in het principaal beroep
in Barneveld(met betrekking tot de winkel in Wijchen was het hof onder 33 tot de conclusie gekomen dat Street-One onrechtmatig heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de als gevolg van de dwaling door [eiser] geleden schade).
subonderdeel Iaklaagt [eiser] dat voor zover het hof van oordeel is dat [eiser] onvoldoende concrete stellingen heeft ingenomen met betrekking tot de winkel in Barneveld, dit oordeel onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. [eiser] beroept zich daarvoor op de volgende stellingen (cassatiedagvaarding onder 1.64):
zowel betrekking hadden op bedoelde verwijtbaarheid als voldoende concreetwaren. En het gaat er dus niet om óf er in Barneveld sprake was van een negatieve marktruimte, óf de geprognosticeerde omzet al dan niet haalbaar was in de eerste jaren en óf de prognose op dit punt op onjuiste of onvolledige uitgangspunten was gebaseerd (alle drie had het hof in rechtsoverweging 29 reeds vastgesteld).
enkeleomstandigheid dat het onderzoek van CBW-MITEX aan het licht heeft gebracht dat de door Street-One verstrekte prognoses onjuist waren omdat er (ook) in Barneveld een negatieve marktruimte bestond, volgt niet dat Street-One een verwijt treft. Om dat te kunnen vaststellen zullen we meer moeten weten, bijvoorbeeld de diepgang van onderzoek zoals dat in de branche gebruikelijk is, eventuele aanwijzingen voor een negatieve marktruimte in Barneveld die Street-One redelijkerwijs had moeten opmerken, de stelligheid waarmee de prognoses door Street-One aan [eiser] zijn gepresenteerd, mededelingen die Street-One bij gelegenheid van die presentatie aan [eiser] heeft gedaan omtrent de toegepaste onderzoeksmethode en de betrouwbaarheid van de prognosecijfers en het vertrouwen dat [eiser] aan zulke mededelingen redelijkerwijs heeft mogen ontlenen. Het was aan [eiser] om dergelijke feiten en omstandigheden in de feitelijke instanties met voldoende concreetheid aan te voeren en in cassatie om naar zulke concrete stellingen te verwijzen. Mijns inziens heeft [eiser] in ieder geval dit laatste niet gedaan.
subonderdeel Ibklaagt [eiser] dat ’s hofs oordeel in rechtsoverweging 34 ook onbegrijpelijk is in het licht van de door Street-One zelf ingenomen stellingen over haar werkwijze (cassatiedagvaarding onder 1.65), de omstandigheid dat Street-One wat betreft de winkel in Wijchen wel van een aanloopfase is uitgegaan (cassatiedagvaarding onder 1.66) en de door Street-One aan [eiser] gegeven inlichtingen en het vertrouwen dat [eiser] daarin heeft gehad, gelet ook op de Nederlandse Franchisecode (cassatiedagvaarding onder 1.67).
in algemene zinop de werkwijze van Street-One beroept. Wel concreet is de verwijzing naar de memorie van antwoord onder 10.7 ten bewijze dat Street-One zelf zou hebben aangevoerd dat zij in haar prognoses rekening zou houden met concurrentiedruk ter plaatse. Wie echter de aangehaalde plaats naslaat, leest daar slechts dat concurrenten worden
geïnventariseerden dat gebruik wordt gemaakt van gerealiseerde omzetcijfers van reeds aanwezige retail partners (dit laatste klaarblijkelijk indien beschikbaar).
subonderdeel Icis deels een herschikking van reeds hiervoor besproken motiveringsklachten.
de combinatie vanrechtsoverweging 33 (waar het hof schadevergoeding toewijst op de beperkte grondslag van de schade die is geleden als gevolg van de door het hof aanvaarde dwaling) en de door onderdeel IV aangevallen rechtsoverwegingen 21 en 22. In de schadestaatprocedure kan immers de schadevergoedingsgrondslag doorwerken. Een klacht dat het hof de veroordeling tot schadevergoeding nader op te maken bij staat op een te smalle leest heeft geschoeid, lees ik in het middel niet.
4.Bespreking van het cassatiemiddel in het incidenteel beroep
behoorde te wetenof aan Street-One anderszins een verwijt ter zake valt te maken. Aldus geeft het middel aan de beslissing van uw Raad in het arrest Paalman/Lampenier een betekenis die het niet heeft. Dat arrest gaat over het geval dat een franchisegever door een derde onderzoek heeft laten verrichten en een rapport van dat onderzoek aan een aspirant-franchisenemer ter beschikking heeft gesteld. In de onderhavige zaak heeft Street-One zelf onderzoek gedaan. De rechtsopvatting waarvan het middel uitgaat, staat bovendien in sterke mate op gespannen voet met de huidige rechtsopvattingen omtrent de verhouding tussen franchisegevers en franchisenemers, zoals die opvattingen onder meer ook blijken uit de NFC. Ik verwijs naar deze conclusie onder 2.1-2.9.
5.Conclusie
de Hoge Raad der Nederlanden