Conclusie
1.Feiten en procesverloop
Master in Stressmanagement en Reïntegratie deskundigheid
2.Bespreking van het cassatiemiddel
“algemene klacht”(onder 3), die (blijkens het gestelde onder 3.1) is gericht tegen de rov. 3.2, 3.7, 4.3-4.6, 4.8-4.12, 4.19 en het dictum van het arrest van 20 januari 2015, alsmede de rov. 2.1-2.3 en het dictum van het arrest van 24 maart 2015. Volgens de korte toelichting onder 3.2 houdt die algemene klacht in dat het hof ten onrechte, althans op onvoldoende begrijpelijk gemotiveerde wijze tot het oordeel is gekomen dat SNR aan [verweerders] voor hun rechtsverhouding met SNR relevante toezeggingen heeft gedaan welke SNR niet zou zijn nagekomen, waardoor zij in de nakoming van haar verplichtingen is tekortgeschoten, alsmede dat dit aan SNR zou zijn toe te rekenen.
“algemene klacht”wordt onder 4 in zes, hierna als onderdelen aan te duiden
“specifieke klachten”(A-F) en onder 5 in een
“veegklacht”uitgewerkt
“of science”en
“of arts”. Pas bij wet van 23 december 2004, Stb. 2005, 32 (in werking getreden op 1 maart 2005) werd hierover een volzin aan het tweede lid van art. 7.10a WHW toegevoegd (onderdeel onder 4.5). Dat is volgens het onderdeel relevant, omdat volgens de wet zoals deze luidde in de periode waarin [verweerders] hun onderwijsovereenkomst sloten, voor HBO-masteropleidingen uiteraard wel de graad “master” mocht worden toegekend, maar de wet nog geen verbod bevatte op het daarbij gebruiken van de aanduidingen “of science” en “of arts”; dat verbod trad pas in werking op 1 maart 2005 (onderdeel onder 4.6). Wel was in de memorie van antwoord (Eerste Kamer) van het op 1 september 2002 in werking getreden wetsvoorstel vermeld dat de toevoegingen “of science” en “of arts” waren voorbehouden aan wetenschappelijke bachelor- en masteropleidingen (onderdeel onder 4.8). SNR heeft dan ook in eerste aanleg gesteld dat eventuele onduidelijkheid (pas) bij de Aanpassingswet, die op 1 maart 2005 in werking trad, is weggenomen (onderdeel onder 4.9). Kennelijk heeft het hof geoordeeld dat de wettelijke regeling duidelijk was, maar heeft zich daartoe buiten de rechtsstrijd van partijen begeven en niet geoordeeld op basis van de in de relevante periode toepasselijke wettelijke bepalingen, hoewel SNR daarop wel een beroep had gedaan en de relevante wetteksten ook uitgebreid had besproken (onderdeel onder 4.10).
Bij ministeriële regeling kan voor een opleiding of een groep van opleidingen met betrekking tot een in dit lid bedoelde graad een andere toevoeging dan die, bedoeld in de tweede volzin, worden vastgesteld.
Afhankelijk van het vakgebied waarin het met goed gevolg afgelegde afsluitend examen van een bacheloropleiding onderscheidenlijk het met goed gevolg afgelegde afsluitend examen van een masteropleiding is afgelegd, wordt aan de verleende graad de toevoeging verbonden die op grond van artikel 5a.2, lid 2a, onder a, met positief resultaat is getoetst.
Met de wijziging van de WHW per 1 september 2002 en de invoering van het bachelor/masterstelsel in Nederland bestond immers een belangrijke indicatie om aan te nemen dat SNR als instelling van hoger beroepsonderwijs niet bevoegd was de MA-titel toe te kennen. Aan art 7.10a WHW, zoals dat op die datum is gaan luiden, kan redelijkerwijs niet de uitleg worden gegeven dat een hogeschool die bevoegdheid had. Het eerste lid van het artikel ziet duidelijk op de bevoegdheden van een instellingsbestuur in het wetenschappelijk onderwijs; alleen een zodanig bestuur is bevoegd om de graad “bachelor” respectievelijk “master” te verlenen aan degene die met goed gevolg het afsluitend examen van een bacheloropleiding respectievelijk het afsluitend examen in het wetenschappelijk onderwijs heeft afgelegd. Dit artikellid bepaalt verder dat achter deze graad bachelor of master de woorden “of arts” dan wel “of science” wordt toegevoegd, afhankelijk van het vakgebied waarin het met goed gevolg afgelegde afsluitend examen van een bacheloropleiding onderscheidenlijk het met goed gevolg afgelegde examen van een masteropleiding is afgelegd. Het tweede lid van artikel 7.10a WHW ziet op de bevoegdheden van een instellingbestuur in het hoger beroepsonderwijs en bepaalt dat zodanig bestuur de graad bachelor en de graad master verleent aan degene die met goed gevolg het afsluitend examen van een bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs onderscheidenlijk het afsluitend examen van een masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs heeft afgelegd.Ook in de handelingen van de Eerste Kamer met betrekking tot wetsontwerp 28 024 (vergaderjaar 2001-2002, 28 024, nr. 232c, memorie van antwoord, bladzijde 39), daterend van de periode vóór de wetswijziging, is reeds te lezen dat de minister in antwoord op vragen van leden van de Eerste Kamer antwoordt:
Tegen de achtergrond van de hierboven in 3.2 en 4.9 geschetste uitgangspunten van de per 1 september 2002 gewijzigde WHW en het daarin duidelijk vastlegde onderscheid tussen graden in het wo-onderwijs en het hbo-onderwijs, acht het hof deze stellingen, wat daar ook van zij, onvoldoende om aan te nemen dat SNR op dit punt niet tot enig (nader) onderzoek gehouden was.
nietmet betrekking tot de latere toevoegingen. Die latere toevoegingen waren niet bepalend voor de geciteerde overwegingen. Er is daarom geen enkele reden om aan te nemen dat het hof anders zou hebben geoordeeld als het de eerdere versie van art. 7.10a WHV zou hebben aangehaald en ook van die eerdere versie (zonder de daarin later opgenomen toevoegingen) zou zijn uitgegaan.
“Het instellingsbestuur kan de graad en de toevoeging aanvullen met de vermelding van het vakgebied of het beroepenveld waarop de graad betrekking heeft.”).
niet(mede) ten grondslag heeft gelegd aan een (rechts)oordeel met betrekking tot de uitleg van de WHW, hetgeen het hof naar mijn mening zou hebben vrijgestaan, ook als de bedoelde stukken en de bedoelde consultatie- en adviesperiode niet in het partijdebat zouden zijn betrokken. Het hof heeft die stukken (en de veronderstelde consultatie- en adviesronde) daarentegen ten grondslag gelegd aan zijn oordeel dat belangrijke indicaties bestonden op grond waarvan SNR had moeten twijfelen over de toelaatbaarheid van de verlening van de graad Master of Arts voor de door haar verzorgde opleiding en die met zich brengen dat SNR
toerekenbaarin de uitvoering van de studieovereenkomsten is tekortgeschoten door zonder nader onderzoek en zonder duidelijk voorbehoud de door het hof bedoelde toezegging te doen dat na afronding van die opleiding de graad van Master of Arts zou worden verleend.
“(i)n het bijzonder nu vaststaat dat belangrijke indicaties bestonden op grond waarvan aan de informatie van de DVC op zijn minst kon worden getwijfeld”en het
“op de weg van SNR (lag) om niet op de van DVC verkregen informatie af te gaan zonder ook zelf voldoende inspanning en zorgvuldigheid te betrachten om de juistheid van die informatie te verifiëren”(de geciteerde passages zijn ontleend aan rov. 4.10, eerste volzin). In rov. 4.12, eerste volzin, heeft het hof geconcludeerd dat
“SNR toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de studieovereenkomsten met [verweerders]”.
“omdat SNR (…) niet, althans in onvoldoende mate (heeft) toegelicht dat en om welke reden zij bij het aangaan van de overeenkomsten met [verweerders] (…) niet van (…) de genoemde voorbereidende stukken op de hoogte was of heeft kunnen zijn.”
“(…) niet, althans in onvoldoende mate (heeft) toegelicht dat en om welke reden zij bij het aangaan van de overeenkomsten met [verweerders] (…) niet van (…) de genoemde voorbereidende stukken op de hoogte was of heeft kunnen zijn”. Dat het hof SNR minst genomen gelegenheid had moeten bieden zich over de notitie uit te laten, geldt naar mijn mening ook in het geval dat, anders dan ik meen, die notitie als feit van algemene bekendheid zou hebben te gelden [13] .
“relevant”genoemd en geoordeeld dat daaruit
“duidelijk blijkt dat het steeds het voornemen van de regering is geweest om de graden bachelor en master of science en arts te reserveren voor wo-opleidingen”. Bovendien was de bedoelde notitie van eerdere datum dan de overige indicaties (de tekst van art. 7.10a WHW en de eveneens door het hof aangehaalde passage uit de Kamerstukken (Eerste Kamer)). In het geval dat de bedoelde notitie van november 2000 buiten beschouwing moet worden gelaten en niet mag worden uitgegaan van de vroegtijdige bekendheid van SNR met het regeringsstandpunt dat de toevoegingen
“of science”en
“of arts”voor wo-opleidingen zouden moeten worden gereserveerd, zal per individueel geval nader moeten worden onderzocht of op het moment dat SNR de door het hof aangenomen toezeggingen
(“voorafgaand aan en bij het sluiten (van) de studieovereenkomsten met [verweerders]”,
“bij het aangaan van de overeenkomsten met [verweerders]”c.q.
“voor of bij aanvang van de opleidingen van [verweerders]”; zie voor deze uiteenlopende formuleringen rov. 4.5) deed, reeds voldoende indicaties bestonden om SNR daarvan te weerhouden. Zo blijkt uit de stukken dat de aanmeldingsformulieren van [verweerder 1] en [verweerster 7] (productie 1 bij de conclusie van antwoord) op 6 mei 2001 en 15 november 2001 zijn gedateerd; dat was dus ruimschoots vóór de inwerkingtreding van art. 7.10a WHW op 1 september 2002, maar ook vóór de memorie van antwoord (Eerste Kamer), genoemd in rov. 4.9 (die is ontvangen op 8 mei 2002 en gepubliceerd op 21 mei 2002). Overigens wijs ik erop dat [verweerders] in hun memorie van grieven ervan zijn uitgegaan dat SNR eerst medio 2002 wist, althans behoorde te weten dat zij niet tot het verlenen van de graad MA kon overgaan, omdat zij bekend zou moeten worden verondersteld met de brief van de HBO-raad van 27 juni 2002 [14] .
“Master of Arts in Stressmanagement en Reïntegratiedeskundigheid (MA-SR)”. Volgens het onderdeel is voor deze zaak relevant - althans zou relevant kunnen zijn - dat op dergelijke diploma’s de aanduiding “of Arts” voorkomt. Bij inleidende dagvaarding zijn diploma’s met een dergelijke aanduiding (als productie 11) overgelegd ten aanzien van [verweerster 2], [verweerster 4], [verweerder 6] en [verweerster 8]. SNR heeft in haar conclusie van antwoord (onder 34) bestreden dat aan andere verweerders in cassatie dergelijke diploma’s zijn afgegeven. [verweerders] hebben geen nader bewijs overgelegd, zodat onbegrijpelijk is dat het hof heeft geoordeeld dat in alle gevallen dergelijke diploma’s aan [verweerders] zijn uitgereikt.
Grondslag vorderingen
grieven II, III, IV en VIIstellen de gestelde tekortkoming van SNR en de daaruit voortvloeiende schade van [verweerders] aan de orde.
“Dit betekent dus dat alle studenten die toegezegd is dat zij recht hebben op de MA-titel, en dat zijn de cohorten I t/m III, deze inderdaad kunnen voeren.
”
“Onze opleiding is medio 2003 aan de DVC, dus voordat de NVAO actief was, aangeboden ter kandidaatsaccreditatie als een MA-SR, als een Master of Arts opleiding dus.”
kanworden afgeleid dat daarin op een toezegging aan de studenten in het verleden wordt gedoeld. Voorts betoogt het onderdeel dat [verweerders] hebben gesteld dat zulke toezeggingen ook
zijngedaan. SNR zou dat laatste volgens het hof onvoldoende hebben betwist, waarvoor redengevend zou zijn dat SNR niet heeft aangevoerd dat het om later gedane toezeggingen gaat. Ten slotte heeft het hof overwogen dat SNR ook niet enige andere verklaring voor de inhoud van de brief van [betrokkene 1] heeft gegeven.
“de in dat kader nog in september 2004 aan [verweerders] gedane toezeggingen”. Dat laatste zou zich volgens het onderdeel niet verdragen met het oordeel in rov. 4.4 dat uit de brief van [betrokkene 1] kan worden afgeleid dat in het verleden (vóór en bij het sluiten van de studieovereenkomsten) toezeggingen aan [verweerders] zijn gedaan.
“alle studenten die toegezegd is dat zij recht hebben op de MA-titel, en dat zijn de cohorten I t/m III, deze inderdaad kunnen voeren”, heeft het hof in rov. 4.4 bij gebreke van een voldoende gemotiveerde betwisting door SNR afgeleid dat aan [verweerders] daadwerkelijk toezeggingen zijn gedaan. Het hof heeft deze passage vervolgens in rov. 4.5 in verband gebracht met de op de in eerste aanleg afgelegde getuigenverklaringen gebaseerde (en volgens het hof door SNR onvoldoende gemotiveerd betwiste) stelling van [verweerders] dat er toezeggingen zijn gedaan bij het aangaan van de overeenkomsten; het hof heeft aangenomen dat de toezeggingen aan de cohorten I-III waarnaar [betrokkene 1] in zijn brief verwijst, (dus) de toezeggingen zijn die SNR volgens [verweerders] bij het aangaan van de studieovereenkomsten zijn gedaan.
toezeggingenberoepen. In eerste aanleg hadden [verweerders] dergelijke toezeggingen niet aan hun vordering ten grondslag gelegd. In de inleidende dagvaarding onder 2 hebben zij het (neutraler) aldus geformuleerd dat
“(v)oor aanvang van de opleiding (…) gedaagde eisers (heeft) voorgehouden dat aan hen bij het met goed gevolg afleggen van de opleiding de titel van Master of Arts zou worden toegekend.”Opmerkelijk is ook dat [verweerders] de brief van [betrokkene 1] in hun inleidende dagvaarding hebben besproken, zonder daarbij enig verband te leggen met
in het verleden(vóór of bij het sluiten van de studieovereenkomsten) aan hen gedane toezeggingen:
“Zelfs nadat deze onrust was ontstaan, heeft [betrokkene 1], decaan bij gedaagde, bij brief van 24 september 2004 aangegeven dat de cohorten 1 t/m 3 (…) nog de titel “Master on Arts” zouden mogen voeren (…)”. Tegenover de (op
toezeggingengebaseerde) stellingname van [verweerders] in hoger beroep heeft SNR ontkend toezeggingen te hebben gedaan en heeft zij daarbij naar haar verweer in eerste aanleg verwezen (zie onder meer memorie van grieven onder 27). Weliswaar was dat verweer niet toegespitst op de door het hof in rov. 4.4 aangehaalde passage uit de brief van [betrokkene 1]. Dat verweer, dat inhield dat [betrokkene 1] de onzekere situatie rond de accreditatie steeds heeft benadrukt maar wel goede hoop had dat voor de opleiding een accreditatie zou worden verkregen die op de graad Master of Arts aanspraak gaf, impliceerde echter wél dat [betrokkene 1] in de litigieuze brief met de term
“studenten die toegezegd is dat zij recht hebben op de MA-titel”, zich de juridische portée van de term
“toegezegd”kennelijk niet bewust, iets anders moet hebben bedoeld dan het hof daaruit heeft opgemaakt. Klaarblijkelijk heeft [betrokkene 1] met
“studenten die toegezegd is dat zij recht hebben op de MA-titel”niet meer bedoeld dan de studenten ten aanzien van wie de verwachting was uitgesproken dat accreditatie door DVC op de graad Master of Arts aanspraak zou geven. Dat [betrokkene 1] zijn vertrouwen in een goede afloop wellicht heeft uitgestraald, is iets anders dan dat hij voor de verlening van die graad zou hebben ingestaan en juridisch bindende toezeggingen in de door het hof kennelijk bedoelde zin zou hebben gedaan. Ook dát heeft SNR in haar memorie van antwoord bij herhaling benadrukt, in het bijzonder bij de bespreking van de getuigenverklaringen in eerste aanleg, die hierna (onder 2.46) nog nader aan de orde zullen komen. Zo heeft SNR in die memorie onder 46 gesteld:
“We gingen voor een Master of Arts”. Dat was dus, althans in de visie van mevrouw [betrokkene 3] het streven, maar niet een situatie die al bereikt was. Ook hieruit blijkt dus niets van toezeggingen die op dit punt aan appellanten zouden zijn gedaan.”
bij het aangaan van de studieovereenkomstentoezeggingen zijn gedaan. Het hof heeft geoordeeld dat SNR ook díe stelling onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, waarbij het, zoals het onderdeel terecht betoogt, kennelijk slechts op een betwisting van het tijdstip van de veronderstelde toezeggingen het oog heeft gehad. Aldus heeft het hof kennelijk voorbijgezien aan het verder strekkende (en, zoals hiervóór onder 2.45 reeds aan de orde kwam, mede op een bespreking van de verschillende getuigenverklaringen gebaseerde) verweer van SNR dat überhaupt geen toezeggingen zijn gedaan en dat [betrokkene 1] (c.q. [betrokkene 3]) juist de onzekerheden rond de accreditatie heeft benadrukt en hooguit zijn (haar) vertrouwen in een goede afloop heeft uitgesproken. Ook het oordeel van het hof in rov. 4.5 acht ik daarom onvoldoende begrijpelijk.
“toezeggen”of
“toezegging”niet voor; veeleer bevestigen die getuigenverklaringen de door SNR aan haar verweer ten grondslag gelegde lezing van de feiten volgens welke [betrokkene 1] en [betrokkene 3] de onzekerheden rond de accreditatie hebben benadrukt en hooguit de verwachting hebben uitgesproken dat de opleiding door DVC zou worden geaccrediteerd en dat die accreditatie bij afronding van de opleiding op de graad Master of Arts aanspraak zou geven.
“Deeltijdse Masteropleiding (MA) Stressmanagement & Reïntegratiedeskundige”op de aanmeldingsformulieren en de tekst van de prospectus die [verweerders] als de producties 7 en 8 bij de inleidende dagvaarding heeft overgelegd.
“bama-structuur”(bachelor-masterstructuur). Tegen die achtergrond lag het niet zeer voor de hand de “kale” mastergraad, als die zou zijn bedoeld, in de aanmeldingsformulieren en de prospectus met een enkele M aan te duiden.
“nog in september 2004 aan [verweerders] gedane toezeggingen”heeft gesproken.
“geen rechtvaardiging (kunnen) vormen voor het feit dat SNR de in r.o. 4.4 e.v. vastgestelde toezeggingen aan [verweerders] heeft gedaan”, geen stand houden.
Kamerstukken II2000-2001, 27 496, nr. 1) relevant acht, waarmee het hof buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden, nu geen van beide partijen een beroep op deze notitie heeft gedaan. Alleen al om die reden kan het oordeel van het hof over de toerekenbaarheid niet in stand blijven, aldus het onderdeel.
“veegklacht”), volgens welke bij gegrondbevinding van één of meer van de eerdere klachten ook de rov. 4.6, 4.12, 4.19 en het dictum van het arrest van 20 januari 2015, alsmede het arrest van 24 maart 2015 niet in stand kunnen blijven.