ECLI:NL:PHR:2016:116
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bewijsrecht en bewijslast bij financiële afwikkeling verbroken relatie met schuldbekentenissen
De zaak betreft een geschil tussen partijen die van 2001 tot 2007 een affectieve relatie hadden zonder samenlevingsovereenkomst. Tijdens deze relatie werden aanzienlijke bedragen onttrokken aan vennootschappen van de man, waarop de vrouw schuldbekentenissen tekende waarin zij verklaarde geld verschuldigd te zijn.
De man vorderde betaling van een bedrag van € 391.801,61, gebaseerd op de schuldbekentenissen en de stelling dat sprake was van geldleningen. De vrouw betwistte dat zij geld had geleend voor privédoeleinden en voerde aan dat de onttrekkingen gezamenlijk waren gedaan.
De rechtbank stelde dat de schuldbekentenissen niet automatisch bewijs leverden voor de onderliggende geldleningsovereenkomst en gaf de vrouw gelegenheid tegenbewijs te leveren. Het hof oordeelde dat de vrouw deels geslaagd was in het leveren van tegenbewijs voor het meerdere boven € 19.000, waarna zij veroordeeld werd tot betaling van € 19.000 plus rente.
In cassatie stelde de man dat het hof de processuele abstractie miskend had, omdat een schuldbekentenis volgens art. 157 lid 2 Rv Pro dwingend bewijs oplevert van de schuld. De Hoge Raad bevestigde dat een onderhandse akte die voldoet aan art. 158 lid 1 Rv Pro dwingend bewijs levert, maar dat tegenbewijs mogelijk is. De Hoge Raad verwierp de cassatieklacht en bevestigde dat de bewijslastverdeling en bewijswaardering door rechtbank en hof juist waren toegepast.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de vrouw is veroordeeld tot betaling van € 19.000 plus rente wegens bewezen schuld op basis van schuldbekentenis met mogelijk tegenbewijs.