Conclusie
Vordering tot schadevergoeding The Royal Bank of Scotland PLC, The Netherlands Branch
Parket bij de Hoge Raad
Het gerechtshof Den Haag heeft verdachte op 27 mei 2015 veroordeeld voor medeplegen van witwassen en primair diefstal door twee of meer verenigde personen, met een gevangenisstraf van 40 maanden en een toegewezen schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij, de Royal Bank of Scotland (RBS).
Verdachte stelde in cassatie dat het bewijs voor medeplegen onvoldoende was, omdat hij niet aan de uitvoering had deelgenomen en slechts betrokken was bij het wijzigen van rekeninggegevens. De Hoge Raad oordeelde echter dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte nauw en bewust samenwerkte met medeverdachten om de bankrekeningen frauduleus te wijzigen en het geld te onttrekken, en dat dit medeplegen rechtvaardigt.
Daarnaast werd betwist of de bank als benadeelde partij recht had op schadevergoeding, omdat zij slechts een derde-belanghebbende zou zijn en niet rechtstreeks schade had geleden. De Hoge Raad bevestigde dat de bank als werkgever van verdachte en als partij die het bedrag aan de klant heeft moeten vergoeden, rechtstreeks schade heeft geleden door het strafbare feit. De toewijzing van de schadevergoedingsmaatregel werd daarmee bevestigd.
De conclusie van de advocaat-generaal bevat een uitgebreide analyse van de rechtspraak omtrent het begrip 'rechtstreekse schade' en de toepassing van artikel 51a Sv en artikel 36f Sr. De Hoge Raad vond geen aanleiding tot vernietiging en verwierp het cassatieberoep.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling en schadevergoedingsmaatregel tegen verdachte.