Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
Schumacker-leer van het Hof van Justitie van de EU (HvJ EU) in de weg staat aan tijdsevenredige vermindering van het premiedeel van de algemene heffingskorting, heeft het Hof geoordeeld dat het premiedeel rechtstreeks en uitsluitend gekoppeld is aan het verzekerd zijn voor de Nederlandse volksverzekeringen en dat een objectief verschil bestaat tussen verzekerden en niet-verzekerden, zodat de toekenning en de hoogte van het premiedeel van de korting afhankelijk gesteld kunnen worden van de verzekerdenstatus c.q. van de periode van verzekering zonder dat dit tot strijd met EU-recht leidt.
Schumacker-rechtspraak van het HvJ EU brengt haars inziens mee dat niet aangesloten mag worden bij het al dan niet verzekerd zijn als dat er toe leidt dat niet minstens in één van de betrokken lidstaten volledig rekening wordt gehouden met haar persoonlijke en gezinsomstandigheden; nu zij in Polen geen bijdrageplichtig inkomen genoot, moet Nederland gedurende het hele jaar rekening houden met die omstandigheden.
Schumacker-rechtspraak waarop de belanghebbende zich beroept, is dat niet beslissend, nu die rechtspraak er juist van uitgaat dat inwoners en niet-inwoners in beginsel niet objectief vergelijkbaar zijn. Dat is slechts anders als de niet-inwoner – zoals de belanghebbende – vrijwel haar hele inkomen in de (voormalige) werk-/woonstaat verdient en in haar (nieuwe) woonstaat niet onderworpen is op een wijze die de woonstaat in staat stelt rekening te houden met haar persoonlijke en gezinsomstandigheden.
Schumacker-rechtspraak zodanig zijn dat zij grensoverschrijders verzekert dat uiteindelijk alle aspecten van hun persoonlijke en gezinssituatie naar behoren in aanmerking worden genomen, ongeacht de wijze waarop de betrokken lidstaten deze verplichting onderling hebben verdeeld. Als de (nieuwe) woonstaat, zoals in casu Polen, er geen rekening mee kan houden, dan moet dus volgens de
Schumacker-logica de (voormalige) werkstaat (Nederland) het doen, omdat daar voldoende wordt bijgedragen om de volle heffingskortingen te absorberen. Uit de zaak
Kiebackblijkt dat de
Schumacker-logica per geheel heffingsjaar moet worden toegepast en niet gecompartimenteerd wordt in geval van opvolgende woonstaten.
Zurstrassen, Wallentin, Commissie v Estlanden
Kiebacksteunen onmiskenbaar belanghebbendes standpunt. Binnen ’s Hofs
Schumacker-logica is het een
acte clairdat de belanghebbende net als haar geheel binnenlandse maatvrouw recht heeft op de volle algemene heffingskorting. Binnen de
Schumacker-logica valt niet in te zien welke rechtvaardiging Nederland zou kunnen hebben om bij een inwoner dezelfde draagkracht dubbel te vergelden in vergelijking met een identieke voormalige inwoner die van haar verdragsvrijheden gebruik maakt en elders niet onderworpen is.
Schumacker-rechtspraak gaat over niet-gecoördineerde inkomstenbelasting-heffing, niet over volksverzekeringen, de nationale stelsels waarvoor gecoördineerd worden door EU-Verordening 883/2004, aldus dat in beginsel steeds slechts één verzekeringsstelsel van toepassing is. De vraag is of de
Schumacker-rechtspraak wordt uitgeschakeld voor de premieheffing volksverzekeringen door dat verschil met de inkomstenbelastingheffing. Dat ligt niet voor de hand, nu die
Schumacker-rechtspraak primair EU-recht is (vrij verkeer van personen) en Vo. 883/2004 secundair recht is dat conform primair recht moet worden toegepast en bovendien alleen coördineert en niets zegt over premieheffing of inaanmerkingneming van persoonlijke omstandigheden. De Verordening kan de rechten uit het vrije personenverkeer niet uitschakelen.
BNB2005/119 en HR
BNB2007/207 en het HvJ EU-arrest
Blanckaertstaan in beginsel koppeling toe van premieheffingsfaciliteiten aan het al dan niet verzekerd zijn. In die zaken werden premieheffingskortingen dan ook geweigerd op grond van het niet-verzekerd zijn van de betrokkenen. Belanghebbendes geval is mijns inziens echter met geen van die zaken vergelijkbaar omdat in al die gevallen de andere lidstaat bij
dienspremieheffing wél volledig rekening kon houden met persoonlijke omstandigheden. In alle drie de gevallen ging het eerder om pogingen tot
stelselshoppingc.q. om van twee wallen te eten. De laconieke redenering in die arresten ̶ dat premiekortingen nu eenmaal alleen aan verzekerden gegeven kunnen worden ̶ is voor belanghebbendes geval hoe dan ook weinig overtuigend; zij was immers wel degelijk verzekerd, tot 21 juni 2013, net als de geheel binnenlandse maatvrouw, die wél de volle korting krijgt, hoewel die
feitelijkvanaf die datum net zo min premieplichtig was als de belanghebbende.
Blanckaertzegt ook geenszins dat
Schumackerniet zou gelden voor de premieheffing, en evenmin dat als een lidstaat zijn kring van verzekerden maar bepaalt conform de toewijzing in de Verordening, alles in orde is en de vrij-verkeersrechten geen rol meer spelen. Integendeel: het Hof past in
Blanckaertzijn
rule of reasonvoor vrij-verkeer-toetsing juist toe, constateert dat de ligitieuze Nederlandse regeling vooral niet-ingezetenen benadeelt, maar ziet een rechtvaardiging voor weigering in de zeldzaamheid van een met Blanckaert vergelijkbare inwoner. Die rechtvaardiging ontbreekt in belanghebbendes geval ten enen male. Bovendien verdiende Blanckaert, anders dan de belanghebbende, 90% van zijn totale inkomen en 100% van zijn arbeidsinkomen niet in Nederland (maar in zijn woonstaat, naar aan te nemen valt, zodat die Staat dus rekening kon houden met zijn persoonlijke omstandigheden).
Blanckaertstrookt dus met
Schumacker. Belanghebbendes geval niet. In haar geval komt het onderscheid tussen verzekerd en niet-verzekerd neer op onderscheid naar al dan niet gebruikmaken van het vrije personenverkeer. In alle andere opzichten zijn de belanghebbende en haar in Nederland blijvende maatvrouw gelijk.
Amurtaen
De Grootkunnen rechtvaardigen dat Nederland zijn tegemoetkomingen niet verleent, maar die
De Groot-
escapewerkt in belanghebbendes geval niet omdat zij in Polen niet is onderworpen aan premieheffing op een wijze die Polen in staat stelt om rekening te houden met haar persoonlijke en gezinsomstandigheden.
Schumackerverenigbare HvJ EU-arresten
Welteen
Mattner(over voetvrijstellingen in de erf- en schenkbelasting voor beperkt belastingplichtigen), is de conclusie dat ’s Hofs rechtspraak haar standpunt steunt.
Schumacker-leer aanhangt, dan wel diens
Welte-leer (al dan niet in combinatie met de
Miljoen, X.en
Société Générale-leer), al ’s Hofs rechtspraak over het vrije verkeer in de richting van belanghebbendes gelijk wijst, en dat
Blanckaerthaar geen ongelijk geeft. Het is daarom geen
acte clairdat aan de belanghebbende zonder schending van het vrije personenverkeer het volle premiedeel van de algemene heffingskorting onthouden zou kunnen worden.
clairis dat het standpunt van de fiscus EU-rechtelijk juist is, nu er weinig touw vast te knopen valt aan ’s Hofs rechtspraak, meen ik dat prejudicieel aan het HvJ EU de vraag voor te leggen ware of in de omstandigheden van de belanghebbende in (heel) 2013, met name het ontbreken van verzekering in Polen na 21 juni, zodat aldaar met haar persoonlijke omstandigheden geen rekening gehouden kon worden bij de premieheffing, het vrije personenverkeer zich ertegen verzet, met name in ’s Hofs uitleg daarvan in de zaken
Schumacker, Zurstrassen, D. v Belastingdienst, Wallentin, Commissie v Estland, Blanckaert, Kieback, Mattner, Welte,en de gevoegde zaken
Miljoen, X. en Société Générale, dat Nederland haar premieheffingskorting tijdsevenredig kort op de grond dat zij na 21 juni 2013 niet in Nederland verzekerd was (maar ook niet in Polen), hoewel een inwoner met identiek bijdrageplichtig inkomen over het gehele jaar die op dezelfde datum ophoudt bijdrageplichtig inkomen te genieten maar geen gebruik maakt van het vrije verkeer, niet gekort wordt.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
Schumacker-leer van het HvJ EU in de weg staat aan tijdsevenredige vermindering van het premiedeel van de algemene heffingskorting heeft het Hof als volgt gereageerd:
NTFR2015/3083) acht dit oordeel juist:
Belanghebbende, een niet-Nederlands ingezetene die gedurende een beperkte periode woonachtig is geweest in Nederland en die gedurende die periode bepaalde werkzaamheden tegen een bepaald loon heeft verricht, vergelijkt zichzelf met een ingezetene van Nederland die het gehele jaar woonachtig is geweest in Nederland en die gedurende dezelfde beperkte periode dezelfde werkzaamheden tegen hetzelfde loon heeft verricht als belanghebbende. Deze vergelijkingsmaatstaf is onjuist. Zoals ik in het voorgaande heb betoogd – en door het hof ook wordt bevestigd – is de juiste vergelijkingsmaatstaf die waarbij verzekerden voor de Nederlandse volksverzekeringen worden vergeleken met hen die niet in dat stelsel zijn verzekerd. Zowel de voor de Nederlandse volksverzekeringen verzekerde ingezetenen als de hiervoor verzekerde niet-ingezetenen hebben recht op het bedrag van het premiedeel van de algemene heffingskorting. Dit geldt evenzeer voor de ingezetenen (respectievelijk niet-ingezetenen) die slechts gedurende een deel van het jaar verzekerd zijn voor de Nederlandse volksverzekeringen. Ingevolge art. 6a Regeling Wfsv [PJW ; art. 2.6a Regeling Wfsv] hebben beide categorieën verzekerden – ingezetenen zowel als niet-ingezetenen – slechts recht op een naar tijdsevenredigheid bepaald gedeelte van het bedrag van het premiedeel van de algemene heffingskorting. Ingezetenen en niet-ingezetenen die niet verzekerd zijn voor de Nederlandse volksverzekeringen, hebben geen recht op het premiedeel van de algemene heffingskorting: noch voor het volledige bedrag, noch voor een naar tijdsevenredigheid bepaald gedeelte daarvan.
De conclusie moet daarom luiden dat tussen een verzekerde voor de Nederlandse volksverzekeringen en degene die niet in dat stelsel is verzekerd, sprake is van een objectief verschil, zodat deze twee categorieën, ongeacht het feit dat deze in verschillende lidstaten verblijven, zich, gelet op het doel en de inhoud van art. 2.6a Regeling Wfsv, niet in een vergelijkbare positie bevinden. In een geval als het onderhavige maakt art. 2.6a Regeling Wfsv dan ook geen inbreuk op het vrije verkeer van werknemers als neergelegd in art. 45 VWEU Pro.”
3.Het geding in cassatie
Schumacker-rechtspraak [7] van het HvJ EU van toepassing. Uit die rechtspraak, met name de zaak
Commissie v Estland, [8] blijkt dat als een persoon zijn inkomen geheel of vrijwel uitsluitend verwerft in de werkstaat en onvoldoende inkomsten geniet in de woonstaat om aldaar belasting te betalen, de werkstaat (volledig) rekening moet houden met zijn persoonlijke en gezinssituatie. De belanghebbende meent dat haar het volle premiedeel van de algemene heffingskorting toekomt omdat: (i) zij ex art. 2.5 (oud) Wet IB 2001 heeft gekozen voor toepassing van de regels voor binnenlands belastingplichtigen, (ii) zij in 2013 haar volledige inkomen in Nederland verdiende, (iii) zij in 2013 in Polen niet verzekerd was en (dus) aldaar geen tegemoetkomingen genoot. Zij acht haar situatie niet vergelijkbaar met die in de door het Hof aangehaalde zaak
Blanckaert, [9] maar met die in het arrest
Wallentin. [10] Zij leidt uit
Wallentinaf dat aan toekenning van het volle premiedeel van de heffingskorting niet in de weg kan staan dat zij slechts een deel van het jaar premieplichtig was; Wallentin was maar één maand belastingplichtig in Zweden.
Blanckaerten HR
BNB2005/119 [11] blijkt dat het al dan niet verzekerd c.q. premieplichtig zijn voor de volksverzekeringen als onderscheidend criterium gebruikt mag worden bij de toekenning van heffingskortingen voor de volksverzekeringen. Belanghebbendes keuze voor de regels voor binnenlandse
belastingplicht brengt niet mee dat zij na haar terugkeer naar Polen
verzekerdblijft voor de Nederlandse volksverzekeringen. Na 21 juni 2013 is de Poolse sociale zekerheidswetgeving weer op haar van toepassing. Een overigens vergelijkbare inwoner van Nederland is, in tegenstelling tot de belanghebbende, wel gedurende het hele jaar verzekerd voor de Nederlandse volksverzekeringen.
Commissie v Estland [12] faalt volgens de Staatssecretaris omdat die zaak (i) gaat over een tegemoetkoming in de inkomstenbelasting, terwijl het in casu gaat om de volksverzekeringen en (ii) belanghebbenden betrof die gedurende de hele belastingperiode inkomsten (pensioen) genoten uit een andere lidstaat, terwijl de belanghebbende na 21 juni 2013 geen inkomsten meer genoot uit Nederland.
Wallentinis volgens de Staatssecretaris niet vergelijkbaar met die van de belanghebbende omdat (i) ook die zaak niet de premieheffing, maar de inkomstenbelasting betrof en (ii) in die zaak de werkstaat (Zweden) überhaupt geen aftrek of vermindering wegens persoonlijke omstandigheden toekende, terwijl Nederland in belanghebbendes geval het premiedeel van de heffingskortingen heeft verleend voor het inkomen dat zij in Nederland in haar in Nederland verzekerde periode heeft genoten. De belanghebbende is net zo behandeld als een ingezetene die in diezelfde periode hetzelfde inkomen uit Nederland genoot. De behandeling loopt pas uiteen vanaf het moment waarop de belanghebbende, inmiddels ingezetene van Polen, niet meer verzekerd is in Nederland, maar onderscheid op die grond is volgens de Staatssecretaris toegestaan op de in 3.4 hierboven weergegeven gronden.
NTFR2010-1080 [13] niet wordt aangesloten bij inwonerschap of al dan niet verzekerd zijn voor de volksverzekeringen om te voldoen aan Europees recht; zij wijst op HR
BNB2014/108 [14] en op de zaak
Zurstrassen. [15] In het litigieuze art. 2.6a Regeling Wfsv wordt wél aangesloten bij het al dan niet verzekerd zijn voor de volksverzekeringen. De belanghebbende meent dat het al dan niet verzekerd zijn niet relevant is als geen verzekering in een andere EU-lidstaat bestaat. Gelet op het doel van de tijdsevenredige herrekening van het premiedeel van de algemene heffingskorting, nl. voorkoming van cumulatie van heffingskortingen uit verschillende landen, moet niet het inwonerschap en het op basis daarvan verzekerd zijn uitgangspunt zijn, maar het al dan niet werkzaam c.q. verzekerd zijn in een andere lidstaat. Anders dan de Staatssecretaris stelt, is in belanghebbendes geval geen sprake van verzekering in een ander land, nu in Polen geen ingezetenenstelsel geldt en de belanghebbende in 2013 in Polen evenmin inkomsten uit werkzaamheden genoot.
Zurstrassenomdat (i) het in
Zurstrassenopnieuw om de inkomstenbelasting ging en niet om toepassing van Vo. 883/2004 en (ii)
Zurstrasseneen binnenlands belastingplichtige betrof, terwijl de belanghebbende na 21 juni 2013 niet meer in Nederland woonde, geen inkomsten meer uit Nederland genoot en niet meer in Nederland verzekerd was. Vanaf die datum was het Poolse sociale verzekeringsstelsel van toepassing, waaraan niet afdoet dat dat stelsel haar mogelijk niet verzekerde voor de periode na 21 juni 2013. Een dergelijk negatief jurisdictieconflict als gevolg van een dispariteit wordt door de Verordening niet uitgesloten. De Staatssecretaris bestrijdt dat het Nederlandse verzekeringsstelsel burgers van de Unie zou weerhouden om in Nederland te komen werken.
De kring van verzekerden, art. 2.6a Regeling Wfsv en EU Vo. 883/2004; de verhouding tussen ingezetenschap en verzekering
Schumacker-jurisprudentie tot een ander resultaat leidt. Zij meent dat die jurisprudentie op haar van toepassing is omdat zij in 2013 gekozen heeft voor de regels voor binnenlandse belastingplicht voor het hele jaar. [21]
Schumacker-rechtspraak ga ik in onderdeel 5 in, maar ik merk hier reeds op dat die implicatie mijns inziens niet beïnvloed wordt door belanghebbendes keuze voor behandeling als fictief binnenlands belastingplichtige, nu die keuze slechts geldt voor de berekening van de inkomstenbelasting. [22] Aldus ook in 2009 de Rechtbank Breda: [23]
Dit oordeel van de rechtbank is naar mijn mening juist. Het premie-inkomen wordt vastgesteld op basis van het wereldinkomen in box 1. Anders dan voor de belastingheffing geldt voor de premieheffing immers dat in beginsel slechts in één land verzekeringsplicht bestaat en wordt derhalve geen onderscheid gemaakt tussen binnenlandse en buitenlandse premieplicht. De keuze voor de fictieve binnenlandse belastingplicht is met name bedoeld om buitenlandse belastingplichtigen de mogelijkheid te bieden persoonlijke aftrekposten in aanmerking te nemen. Aangezien voor de premieheffing wordt uitgegaan van het wereldinkomen in box 1, is deze keuze voor de premieheffing overbodig. Ik kan onderschrijven dat de keuze op basis van art. 2.5 Wet IB 2001 niet tot gevolg heeft dat de belanghebbende binnenlands belastingplichtig wordt.”
5.De Schumackerbenadering (vrij verkeer van werknemers)
Schumacker-jurisprudentie niet beslissend, nu die rechtspraak er juist expliciet van uit gaat – mijns inziens ten onrechte [25] ̶ dat inwoners en niet-inwoners in beginsel niet vergelijkbaar zijn, dus dat onderscheid naar woonplaats in uitgangspunt toegestaan is,
behalvein een situatie zoals die van de belanghebbende. Volgens de
Schumacker-rechtspraak is de grensoverschrijder voor wat betreft persoonlijke en gezinssituatie pas in een objectief vergelijkbare situatie als de thuisblijver indien de grensoverschrijder nagenoeg zijn gehele inkomen in één lidstaat verdient. Als dat er bovendien toe leidt dat in geen van beide staten zijn persoonlijke en gezinsomstandigheden fiscaal “naar behoren” in aanmerking worden genomen, dan ziet het Hof een discriminatie, in uitgangspunt door de woonstaat. De heffingsjurisdictieverdeling door de betrokken lidstaten, bij verdrag of bij nationale wet, moet volgens het Hof zodanig zijn dat zij grensoverschrijders verzekert dat uiteindelijk
alleaspecten van hun persoonlijke en gezinssituatie naar behoren in aanmerking worden genomen, ongeacht de wijze waarop de betrokken lidstaten deze verplichting onderling hebben verdeeld (zie bijvoorbeeld
De Groot, [26] r.o. 101 en
Renneberg, [27] r.o. 70). Neemt de werkstaat zijn verantwoordelijkheid niet, ook al verdient de betrokkene daar 80% van zijn inkomen (dus: weigert de werkstaat – mijns inziens in strijd met het vrije werknemersverkeer ̶ de tegemoetkomingen aan niet-ingezetenen die hij wél aan ingezetenen geeft), dan moet (merkwaardigerwijs) de woonstaat zijn tegemoetkomingen volledig verlenen, ook al belast die Staat effectief (na EU-rechtelijk onverplichte voorkoming van dubbele belasting) maar 20% van het inkomen. De werkstaat hoeft pas op te houden met het discrimineren van niet-ingezetenen als dezen een zó groot deel van hun inkomen in de werkstaat verwerven dat zij in hun woonstaat niet meer voldoende onderworpen zijn om die woonstaat in staat te stellen met hun persoonlijke omstandigheden rekening te houden. Ik citeer ter illustratie de meest recente zaak
Kieback: [28]
Schumacker-leer staat immers (inkomens)evenredige korting op fiscale draagkrachttegemoetkomingen niet toe als dat ertoe leidt dat een deel van de inaanmerkingneming van persoonlijke omstandigheden tussen wal en schip geraakt. De belanghebbende betoogt bij repliek (blz. 2):
overall– over beide jurisdicties bezien over een geheel jaar – haar persoonlijke en gezinsomstandigheden in 2013 volledig in aanmerking worden genomen. Dat is in haar geval niet zo omdat haar situatie in Polen het voor Polen niet mogelijk maakte om rekening te houden met persoonlijke en gezinsomstandigheden.
Schumacker [29] betrof een belanghebbende die in België woonde en in Duitsland werkte en als buitenlands belastingplichtige in Duitsland geen persoonlijke tegemoetkomingen genoot. Die genoot hij wel in België, maar daar had hij na de vrijstelling ter voorkoming van dubbele belasting van zijn Duitse inkomen geen fiscale
exposure. Het gevolg was dat zijn persoonlijke en gezinsomstandigheden nergens in aanmerking werden genomen. Hij procedeerde tegen de bronstaat (Duitsland). Het HvJ overwoog:
allegrondslag- en tariefaspecten die iets met draagkracht te maken hebben onder deze benadering gebracht, inclusief (zie
Renneberg [30] ) brongebonden hypotheekrenteaftrek.
Zurstrassen. [31] In die zaak achtte het HvJ onverenigbaar met EU-recht een Luxemburgse regeling die voor een gezamenlijke aanslag inkomstenbelasting voor echtgenoten de voorwaarde stelde dat zij beiden op Luxemburgs grondgebied verbleven. Aan de Zurstrassens werd een gezamenlijke aanslag geweigerd omdat meneer weliswaar in Luxemburg verbleef en daar nagenoeg het gehele gezinsinkomen verwierf, maar mevrouw in een andere lidstaat verbleef. Het Hof overwoog:
Wallentin [32] steunt belanghebbendes standpunt. Die zaak betrof een Duitse student die minder dan een maand in Zweden (vakantie)werkte en in Duitsland wel inkomen, maar geen belastbaar inkomen had. Zweden had een aparte belastingregeling voor buitenslands wonende beperkt belastingplichtigen, met een lager tarief (25%) dan het algemene inkomstenbelastingtarief voor onbeperkt belastingplichtigen (30%), maar ̶ anders dan bij onbeperkt belastingplichtigen ̶ zonder belastingvrije som. Het HvJ oordeelde dat zijn persoonlijke en gezinssituatie in de werkstaat op dezelfde wijze in aanmerking moest worden genomen als die van ingezeten onderdanen en dat aan hem dezelfde belastingvoordelen toekwamen omdat zijn woonstaat zijn persoonlijke en gezinssituatie niet in aanmerking kon nemen omdat aldaar geen belastingschuld bestond.
Commissie v Estland [33] betrof een in Finland wonende klaagster die vroeger in Estland had gewoond en gewerkt en die zowel in Estland als in Finland een ouderdoms-pensioen genoot tot nagenoeg gelijke bedragen. Haar totaalinkomen was echter zo gering dat het beneden de Finse voetvrijstelling bleef, zodat zij in Finland geen inkomstenbelasting betaalde. In Estland had zij geen toegang tot de aldaar voor inwoners voorziene grondslag-vermindering voor pensioenen omdat die alleen open stond voor niet-ingezetenen die minstens 75% van hun totale belastbare inkomen in Estland verwierven. Ik meen dat dit hoe dan ook een discriminatie door het bronland is en dat Estland de helft van zijn tegemoetkoming had moeten verlenen (en Finland de helft van zijn tegemoetkomingen), maar het Hof construeerde de discriminatie als gevolg van zijn
Schumacker-logica anders: de klaagster kon, hoewel zij een aanzienlijk deel van haar inkomen in woonland Finland verdiende, aldaar niet
vollediggebruik maken van de voetvrijstelling (haar inkomen maakte die vrijstelling niet vol), waardoor woonland Finland een Estse bronheffing niet kon verrekenen. Als gevolg daarvan achtte het Hof haar kennelijk vergelijkbaar met een inwoner van Estland en moest Estland van die bronheffing afzien, die van inwoners in dezelfde omstandigheden evenmin werd geheven:
vollediggebruikt kon worden en Finland daardoor geen voorkoming van dubbele belasting kon verlenen. Deze redenering is opmerkelijk, nu Finland EU-rechtelijk helemaal geen voorkoming van dubbele belasting had hoeven geven [34] als de klaagster wél boven de voetvrijstelling uit zou zijn gekomen.
altijdmoet bijspringen als het niet (helemaal) lukt. Voor belang-hebbendes geval volgt er uit dat Nederland, als enige land waar zij in 2013 bijdrageplichtig inkomen genoot, haar volledig de aan ingezetenen toekomende faciliteiten moet verlenen die ertoe dienen rekening te houden met persoonlijke en gezinsomstandigheden. Voor het belastingdeel van de algemene heffingskorting doet Nederland dat ook [35] , maar voor het premiedeel van de algemene heffingskorting doet Nederland dat slechts tijdsevenredig.
Schumacker-rechtspraak gaat over persoonlijke tegemoetkomingen in de niet-geharmoniseerde en niet-gecoördineerde inkomstenbelastingheffing die kan leiden tot dubbele onderworpenheid waaruit de noodzaak voortvloeit van heffingsjurisdictieverdeling. Belanghebbendes zaak daarentegen betreft de premieheffing volksverzekeringen. De nationale stelsels van sociale zekerheid worden dwingend gecoördineerd door de genoemde Vo. 883/2004, aldus dat in beginsel steeds uitsluitend één stelsel van toepassing is. De vraag is nu of dat verschil met de ongecoördineerde inkomstenbelastingheffing de
Schumacker-rechtspraak uitschakelt voor de premieheffing volksverzekeringen. Dat ligt niet voor de hand, nu de
Schumacker-rechtspraak primair EU-recht is waaraan secundair recht zoals Vo. 883/2004 ondergeschikt is, terwijl de Verordening bovendien niets zegt over premieheffing of inaanmerkingneming van persoonlijke omstandigheden.
Schumacker-rechtspraak noopt. Die rechtspraak staat koppeling toe van premieheffingsfaciliteiten aan de status van verzekerde. De zaak HR
BNB2005/119 [36] betrof een Nederlands ingezetene die uitsluitend in België werkte en dus alleen daar verzekerd en premieplichtig was. De fiscale grensarbeidersregeling daarentegen wees zijn loon voor de belastingheffing geheel aan Nederland toe. België kende geen premievrije som, premie-heffingskorting of premiegrens. De belanghebbende wilde, ondanks exclusieve verzekering in België, de Nederlandse premieheffingskorting kunnen aftrekken van zijn Nederlandse inkomstenbelasting. U oordeelde dat voor wat betreft de premieheffingskorting de
Schumacker-leer slechts van betekenis kan zijn voor belastingplichtigen die in Nederland onderworpen zijn aan die premieheffing:
BNB2007/207 [37] houdt een vergelijkbaar oordeel in als HR
BNB2005/119. Die zaak betrof een ingezeten werknemer die in Nederland niet verzekerd en niet premieplichtig was omdat hij bij de Europese Octrooiorganisatie werkte en aldaar verzekerd was. Hij wilde niettemin verrekening van de heffingskorting voor de volksverzekeringen. U overwoog:
Blanckaert [38] betrof de vraag of art. 2.7(2) Wet IB 2001 ̶ dat een overschot aan premieheffingskorting na verrekening met verschuldigde premies volksverzekeringen in mindering brengt op de inkomstenbelasting (overheveling van ongebruikte premieheffingskorting naar de belastingheffingskorting) ̶ een discriminatie inhoudt als toepassing voorbehouden is aan belastingplichtigen die verzekerd zijn voor de Nederlandse volksverzekeringen. Blanckaert was een niet-ingezetene met box 3 inkomen uit een Nederlandse vakantiewoning. Dat Nederlandse box 3 inkomen was minder dan 90% van zijn inkomen in Nederland. Hij genoot dus meer dan 90% buiten Nederland, naar aan te nemen valt in zijn woonstaat. Hij was niet verzekerd in Nederland en hij had niet gekozen voor behandeling als fictief binnenlands belastingplichtige ex art. 2.5 (oud) Wet IB 2001. Hij wilde vermindering van de box 3 belasting met dezelfde premieheffingskorting als die welke een ingezetene met uitsluitend box 3 inkomen zou genieten. Volgens het HvJ EU bevonden verzekerden en niet-verzekerden zich op dit punt echter niet objectief in dezelfde situatie:
Blanckaertonder meer opgemerkt:
dan welop Nederlands grondgebied inkomen uit werk verwerft. Daaruit volgt echter dat ook niet‑ingezetenen recht kunnen krijgen op de omstreden heffingskortingen – en wel onder de voorwaarden van artikel 2.7, lid 2, van de Wet IB 2001, dat niet rechtstreeks onderscheid maakt op grond van de woonplaats, te weten indien hij op Nederlands grondgebied inkomen uit werk verwerft. De Nederlandse regering heeft dit ter terechtzitting nogmaals bevestigd.
Schumacker-rechtspraak niet geldt voor de premieheffing. Doordat de premieheffing(skorting) aansluit bij het al dan niet verzekerd zijn en de Verordening exclusief toewijst (zodat parallelle uitoefening van heffingsbevoegdheid zoals in de ongecoördineerde inkomstenbelastingheffing zich in premieheffingszaken niet voordoet), achten dezen het “nagenoeg geheel”-criterium uit de
Schumacker-rechtspraak niet van belang. Van Herpen [41] betoogt in dit verband:
Schumacker-rechtspraak niet geldt voor de premieheffing, noch dat als een lidstaat zijn verzekeringsjurisdictie uitoefent conform de Verordening alles in orde is en er niet nagedacht hoeft te worden over de vrij-verkeersbepalingen. Integendeel: het Hof past zijn
rule of reasonvoor vrij-verkeer-toetsing juist toe: hij stelt vast dat de ligitieuze regeling vooral niet-ingezetenen benadeelt (r.o. 45) en beoordeelt vervolgens of daarvoor een rechtvaardiging bestaat, die hij vindt in de volstrekte zeldzaamheid van een met Blanckaert vergelijkbare inwoner (r.o. 47; zie 5.16 hieronder). Dat de Verordening exclusief toewijst en parallelle jurisdictie-uitoefening in beginsel uitsluit, is niet relevant, want dat zegt niets ̶ en de Verordening zegt dus niets ̶ over premieheffing, laat staan over vergelding van draagkracht in het kader van die premieheffing. De observatie van het Hof (r.o. 48) dat de Nederlandse bepaling van de kring van verzekerden strookt met de Verordening dient er slechts toe vast te stellen dat het Nederlandse onderscheid tussen verzekerden en niet-verzekerden niet in strijd is met die Verordening en zegt niets over de in belanghebbendes zaak opgeworpen vraag of twee overigens identieke verzekerden, van wie er één in de loop van het jaar gebruik maakt van haar recht op vrij verkeer, voor het jaardeel waarin deze verzekerden hetzelfde bijdrageplichtige inkomen genieten, verschillend behandeld mogen worden.
Blanckaert. De cruciale r.o. 47 van
Blanckaertgeldt niet voor haar geval. De binnenlandse maatvrouw (iemand die het hele jaar inwoner en daardoor verzekerd is en een deel van het jaar loon geniet maar een groot deel van het jaar geen bijdrageplichtig inkomen geniet), is geenszins zeldzaam; een dergelijke inwoonster heeft geenszins “slechts bij uitzondering” recht op de volle premieheffingskorting, maar juist automatisch altijd (door haar inwonerschap). Ook onderscheidt zij zich van Blanckaert doordat de laatste zijn gehele bijdrageplichtige inkomen gedurende het gehele jaar buiten Nederland verdiende, naar aan te nemen valt in zijn woon/werkstaat, waar hij het gehele jaar verzekerd was en dus, in tegenstelling tot onze belanghebbende, het gehele jaar in aanmerking kwam voor aldaar eventueel vigerende premieheffingstegemoetkomingen in verband met persoonlijke en gezinssituatie. Het arrest
Blanckaertis dus juist geheel in overeenstemming met
Schumackeren kan mijns inziens daarom niet gezien worden als steun voor de stelling dat
Schumackerniet zou gelden voor de premieheffing.
secundairEU-recht (coördinatieverordening 883/2004), toegepast zouden mogen worden op een wijze die onverenigbaar is met
primairEU-recht (in casu het recht op vrij verkeer van personen). De observatie dat premiekortingen nu eenmaal alleen aan verzekerden gegeven kunnen worden, lijkt voor belanghebbendes geval zelfs irrelevant: zij was immers wél verzekerd, tot 21 juni 2013, maar anders dan de binnenlandse maatvrouw die vanaf die datum evenmin bijdrageplichtig inkomen geniet, krijgt zij maar een halve korting. In belanghebbendes geval komt het onderscheid tussen verzekerde en niet-verzekerde, anders dan in
Blanckaert, neer op onderscheid naar al dan niet gebruikmaken van het vrije verkeer. In alle andere opzichten zijn de belanghebbende en de in Nederland blijvende maatvrouw gelijk. Ik merk daarbij op dat volgens het hieronder (5.20) te citeren arrest
Kiebackbelanghebbendes situatie over het gehele jaar beoordeeld moet worden, óók in geval van emigratie halverwege het jaar.
Schumacker-rechtspraak biedt een
escapevoor de woonstaat als de werkstaat de persoonlijke en gezinssituatie in aanmerking neemt, ofwel unilateraal (zaak
De Groot [42] ) ofwel bij belastingverdrag (zaak
Amurta [43] ). In belanghebbendes geval geldt inderdaad een bindende internationale en zelfs EU-rechtelijke regeling tussen de betrokken lidstaten (nl. die van Vo. 883/2004) en die wijst na 21 juni 2013 exclusief Polen aan als bevoegd, maar, zoals opgemerkt, zegt al dan niet exclusieve jurisdictietoewijzing niets over premieheffing, laat staan premieheffingskortingen e.d.. Zelfs als dat anders zou zijn, baat die
escapeNederland volgens de
Schumacker-logica in casu niet, nu de belanghebbende in Polen immers juist
nietis onderworpen (verzekerd) op een wijze die Polen in staat stelt om rekening te houden met haar persoonlijke en gezinsomstandigheden. Aan de vraag of de wetgeving van de (nieuwe) werk/woonstaat (in casu Polen) persoonlijke tegemoetkomingen kent, gaat het Hof voorbij. Dat blijkt uit de zaak
Renneberg, [44] over hypotheekrenteaftrek die Nederland als
niet-woonstaat,
niet-bronstaat van het kadastrale inkomen,
niet-situsstaat,
niet-leningstaat,
niet-zekerheidstaat en
niet-rentebetaalstaat desondanks werd gedwongen te verlenen, hoewel die aftrek in de woonstaat België überhaupt niet bestond tegenover arbeidsinkomsten.
Schumacker-rechtspraak, met name
Wallentin,
Commissie v Estland, De Grooten
Rennebergis duidelijk: de migrerende werknemer heeft
altijd ergensrecht op tegemoetkomingen; kan het niet in de goede lidstaat, dan maar in de verkeerde, al heeft die territoriaal en jurisdictioneel part noch deel aan het desbetreffende draagkracht-aspect van de werknemer (zoals hoofdverblijfhypotheekrente bij een niet-inwoner).
Kieback [45] steunt belanghebbendes standpunt. Kieback woonde in Duitsland, werkte in Nederland en verhuisde in de loop van het jaar metterwoon en metterwerk naar de VS. Hij wilde zijn (Duitse) hypotheekrente over zijn Europese periode in mindering te brengen op zijn (Nederlande) arbeidsinkomen tot aan emigratie. Het Hof bevestigde opnieuw dat een niet-ingezetene (pas) objectief vergelijkbaar is met een inwoner als zijn woonlidstaat vanwege het feit dat hij het belangrijkste deel van zijn inkomen in de werklidstaat verwerft niet in staat is om hem de voordelen toe te kennen uit de inaanmerkingneming van zijn gehele inkomen en van zijn persoonlijke en gezinssituatie. Hij voegde daar op uw verzoek om instructie aan toe dat zulks
op jaarbasisbeoordeeld moet worden, dus niet per periode van (opvolgende) belastingplicht. Bij opvolgende belastingplicht in de loop van het jaar (zoals bij
Kieback, en zoals ook bij de belanghebbende voor wat betreft zowel haar belastingplicht als haar verzekeringsstatus), hoeft de exitstaat weliswaar volgens dit arrest in beginsel überhaupt geen rekening te houden met draagkrachtfactoren van de vertrokken werknemer, zelfs niet tijdsevenredig of inkomensevenredig:
zijndraagkrachtvergeldingen (volledig) te verlenen. [46] Is dat niet het geval, dan is de duidelijke implicatie van r.o. 30 dat de voormalige woon/werkstaat (volledig) verantwoordelijk blijft.
Kiebackhoefde na zijn vertrek noch Nederland, noch Duitsland te zorgen, gegeven dat hij nog negen maanden elders ging (groot)verdienen. Onze belanghebbende heeft
nietin 2013 “slechts een gedeelte van haar belastbare inkomen” in Nederland verworven, maar juist haar “totale inkomen of nagenoeg het volledige gezinsinkomen dat (zij) in de loop van het betrokken jaar heeft genoten, (…),” zodat zij zich dus wél bevindt:
Schumacker, maakte het Hof inderdaad in de zaken
Mattner [47] en
Welte [48] (over erf- en schenkbelasting) niet de woonstaat, maar juist de
bron/situsstaat verantwoordelijk voor de voetvrijstellingen, óók als die staat maar een beperkt deel van de erfenis/schenking belast (alleen situsgoederen) en de woonstaat dus wel degelijk in staat is om zijn voetvrijstelling (geheel) te verlenen door aftrek op de wereldboedel. En in de zaak
Miljoen, X.en
Société Générale [49] (over inkomstenbelasting) beschouwde het Hof de Nederlandse voetvrijstelling in box 3
nietals vergelding van persoonlijke en gezinsomstandigheden omdat iedereen haar krijgt ongeacht persoonlijke omstandigheden of draagkracht. Hij oordeelde dat een voetvrijstelling
niet meerwenst te bedoelen, gezien zijn tegengesteld luidende arrest in de zaak
D. v Inspecteur [50] ̶ dat
algemenevoetvrijstellingen onder zijn
Schumacker-leer vallen, maar alleen omstandigheden-afhankelijke tegemoetkomingen zoals maritale aanslagoplegging, alimentatie-aftrek, persoonsgebonden aftrek, hypotheekrenteaftrek (die het Hof dan kennelijk beschouwt als persoonlijke woonsubsidie), en dergelijke tegemoetkomingen. Dat zou betekenen dat het uitgangspunt van het Hof Den Bosch in belanghebbendes zaak (r.o. 4.7; zie 2.8 hierboven) – nl. dat het premiedeel van de algemene heffingskorting een voordeel is dat voortvloeit uit de inaanmerkingneming van de persoonlijke en gezinssituatie – onjuist is. De aanduiding “algemene” heffingskorting impliceert dat wellicht reeds. Dat leidt mijns inziens in belanghebbendes geval echter niet tot een ander resultaat dan de
Schumacker-leer.
Schumacker-lijn maar de
Welte-lijn moet worden gevolgd, leidt ’s Hofs rechtspraak naar gegrondbevinding van belanghebbendes standpunt: als de litigieuze premieheffingskorting geen persoonlijke draagkrachtpost is, dan gaat het om een voetvrijstelling die ongeacht persoonlijke omstandigheden ̶ dus ook ongeacht emigratie halverwege het jaar of ophouden bijdrageplichtig inkomen te genieten halverwege het jaar ̶ aan elke verzekerde toekomt, ook aan de beperkt verzekerde. De cruciale overweging in het
Welte-arrest is de volgende:
Welte-logica ziet een niet-inwoner dus niet pas als vergelijkbaar met een inwoner indien deze nagenoeg zijn gehele heffingsgrondslag in de bron/situsstaat concentreert en in zijn woonstaat niet onderworpen is op een wijze die de woonstaat in staat stelt rekening te houden met persoonlijke omstandigheden. De
Welte-logica ziet een niet-inwoner en een inwoner – mijns inziens terecht ̶ reeds als vergelijkbaar als de bron/situsstaat hen op dezelfde wijze voor dezelfde binnenlandse heffingsgrondslag belast. Ook de belang-hebbende wordt voor de premieheffing hetzelfde behandeld als de binnenlandse maatvrouw,
behalvevoor wat betreft de hoogte van de premieheffingskorting.
Schumacker-leer, zijn
Welte-leer en zijn
Miljoen-leer onderling moeizaam verenigbaar zijn en voortdurend inconsistenties en complicaties genereren, in casu al ’s Hofs rechtspraak over de verkeersvrijheden in de richting van belanghebbendes gelijk wijst, alsmede dat
Blanckaerthaar geen ongelijk geeft. Het is daarom mijns inziens geenszins een
acte clairdat aan de belanghebbende zonder schending van het (primaire) vrije personenverkeer een deel van de algemene heffingskorting onthouden kan worden op grond van de constatering dat het onderscheid in art. 2.6a Regeling Wfsv “rechtstreeks en uitsluitend” gekoppeld is aan het al dan niet verzekerd zijn, dan wel op grond van de mijns inziens onjuiste stelling dat het primaire EU-recht zoals door het Hof uitgelegd in zijn
Schumackerc.q.
Welte-lijn niet zou gelden voor de premieheffing omdat op dat vlak een Verordening (secundair EU-recht) geldt die niet over premieheffing of -korting gaat en slechts nationale stelsels coördineert met de inhoud waarvan zij zich in beginsel niet bemoeit.
clairis dat het standpunt van de fiscus EU-rechtelijk juist is omdat er weinig touw vast te knopen valt aan ’s Hofs rechtspraak, meen ik dat prejudicieel aan het Hof de vraag voor te leggen ware of in de omstandigheden van de belanghebbende in (heel) 2013, met name het ontbreken van verzekering in Polen na 21 juni, zodat aldaar met haar persoonlijke omstandigheden geen rekening gehouden kon worden bij de premieheffing, het vrije personenverkeer zich ertegen verzet, met name in ’s Hofs uitleg daarvan in de zaken
Schumacker, Zurstrassen, D. v Belastingdienst, Wallentin, Commissie v Estland, Blanckaert, Kieback, Mattner, Welte, en de gevoegde zaken
Miljoen, X.en
Société Générale, dat Nederland haar premieheffingskorting tijdsevenredig kort op de grond dat zij na 21 juni 2013 niet in Nederland verzekerd was (maar ook niet in Polen), hoewel een inwoner met identiek bijdrageplichtig inkomen over het gehele jaar die op dezelfde datum ophoudt bijdrageplichtig inkomen te genieten maar geen gebruik maakt van het vrije verkeer, niet gekort wordt.