Conclusie
eerste middelwordt gesteld dat het hof het vonnis van de rechtbank van 14 november 2014 ten onrechte heeft bevestigd, omdat de door de raadsman ter terechtzitting in eerste aanleg aan de rechtbank overgelegde pleitnota zich niet in het procesdossier bevindt.
tweede,
derde,
vierdeen
vijfde middelrichten zich op de bewezenverklaring van het hof. Voordat ik de middelen afzonderlijk bespreek, geef ik hieronder eerst de bewezenverklaring, de gebezigde bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen weer.
eerste middelbevat een klacht over de bewezenverklaring van feit 1 en feit 2, voor zover inhoudende dat de verdachte de betreffende feiten tezamen en in vereniging met anderen heeft gepleegd.
derde middelkomt op tegen ’s hofs gebruik voor het bewijs van een tweetal hierboven onder 4.2 weergegeven verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 2] (zie bewijsmiddel 12 in de aanvulling op het door het hof bevestigde vonnis in eerste aanleg en het aanvullende bewijsmiddel in het arrest van het hof zelf).
vierde middelbevat
twee klachtenmet betrekking tot de bewezenverklaring van feit 1. De
eerste klachtbevat de stelling dat het hof uit de gebezigde bewijsmiddelen niet heeft kunnen afleiden dat de door de verdachte en zijn medeverdachten gestolen personenauto van het merk Mitsubishi is weggenomen ‘uit de woning’ van het slachtoffer.
tweede klachthoudt in dat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat de diefstal van de in de bewezenverklaring van feit 1 genoemde personenauto van het merk Mitsubishi werd voorafgegaan door of vergezeld van geweld of bedreiging van geweld dat werd gepleegd om deze diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken.
vijfde middelben ik eveneens kort. Het middel stelt aan de orde dat het hof in het kader van zijn bewezenverklaring van (het tweede onderdeel van) feit 1 ten onrechte heeft geoordeeld dat de door de verdachte en zijn medeverdachten van het slachtoffer afgeperste pincode een goed in de zin van art. 317, eerste lid, Sr is, maar gaat eraan voorbij dat het hof helemaal niet heeft bewezenverklaard dat door de verdachte en zijn medeverdachten enig goed van het slachtoffer is afgeperst. Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte en zijn medeverdachten het slachtoffer hebben gedwongen tot de afgifte van een bankpas met daarbij behorende pincode en heeft dit gelet op de verschillende in art. 317, eerste lid, Sr genoemde alternatieve vormen van afpersing zonder problemen kunnen doen. Voor zover het middel nog als zelfstandige klacht naar voren brengt dat uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen niet kan volgen dat bij de onder 1 bewezenverklaarde afpersing onder meer een mes op de nek van het slachtoffer is gezet, volsta ik met de opmerking dat deze omstandigheid wel uit de betreffende bewijsmiddelen kan volgen.