ECLI:NL:PHR:2016:1201

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 september 2016
Publicatiedatum
6 december 2016
Zaaknummer
15/02719
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 511g SvArt. 415 SvArt. 359 SvArt. 36e Sr
Verwijzingen
8 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens ontoereikende motivering schatting wederrechtelijk verkregen voordeel

Het hof Amsterdam had aan betrokkene opgelegd om een bedrag van € 713.755,60 aan wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat te betalen, gebaseerd op een schatting van opbrengsten uit diverse strafbare feiten. Deze schatting was onderbouwd met een optelsom van bedragen uit verschillende zaken, waarbij wisselkoersen werden toegepast op buitenlandse valuta.

De verdediging stelde cassatie in met het middel dat de bestreden uitspraak niet de inhoud van de gebruikte bewijsmiddelen bevatte, noch de redengevende feiten en omstandigheden voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel voldoende motiveerde. De Hoge Raad oordeelde dat de uitspraak niet voldeed aan de vereisten van art. 511g Sv in verbinding met art. 415 en Pro 359 Sv, omdat de relatie tussen de genoemde bedragen en de strafbare feiten en verdachte onvoldoende was toegelicht.

De Hoge Raad constateerde dat voor sommige zaken geen bewijsmiddelen waren opgenomen in het dossier en dat de motivering van de schatting ontoereikend was. Daarom werd het middel gegrond verklaard, het arrest vernietigd en de zaak terugverwezen naar het hof Amsterdam voor een nieuwe berechting op het bestaande hoger beroep.

De conclusie benadrukt het belang van een gedetailleerde en transparante motivering van de schatting van wederrechtelijk verkregen voordeel, met vermelding van de bewijsmiddelen en de feiten en omstandigheden die daaraan ten grondslag liggen, conform eerdere jurisprudentie.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest wegens onvoldoende motivering van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en wijst de zaak terug naar het hof Amsterdam.

Conclusie

Nr. 15/02719 P
Zitting: 27 september 2016
Mr. A.J. Machielse
Conclusie inzake:
[betrokkene] [1]
Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 5 juni 2015 aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van een bedrag van € 713.755,60 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Namens de betrokkene heeft Mr. C.P. Wesselink-van Dijk, advocaat te 's-Gravenhage, één middel van cassatie voorgesteld.
Het
middelklaagt dat de bestreden uitspraak niet de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen bevat waaraan de (gehele) schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend, althans dat die schatting ontoereikend is gemotiveerd.
De bestreden uitspraak houdt onder meer in:
“Het hof is van oordeel dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel, geschat op een bedrag van € 713.755,60, heeft verkregen door middel van of uit baten van de strafbare feiten ter zake waarvan hij bij arrest van 5 juni 2015 is veroordeeld.
Het hof overweegt, anders dan de advocaat-generaal, dat bij de bepaling van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel bij feit 1 het bedrag van 30.000 van euro’s dient te worden uitgegaan en niet van US dollars. Uit het dossier Bijlage X-6-1-3 blijkt namelijk dat het om een bedrag van € 30.000,00 gaat en niet zoals in eerste aanleg bewezen is verklaard een bedrag van $ 30.000,00.
Het hof komt tot de volgende berekening:
Zaak [betrokkene 2]:
€ 15.850,00 + € 30.000,00 = € 45.850,00
Zaak [betrokkene 3]:
€138.700,00
$ 554.350,00
Dit omvat de bedragen $ 349.350,00, $ 130.000,00 en $ 75.000,00. Deze bedragen zijn betaald op respectievelijk: 8 mei 2007, 22 juni 2007 en 13 september 2007. Bij de omrekening van dollars naar euro’s hanteert het hof de wisselkoersen op de bijbehorende data. Dit leidt tot de volgende bedragen in euro’s: €257.669,18, €96.719,29 en € 53.968,06.
totaal € 547.056,53
Zaak [betrokkene 4]:
€47.509,95
$7.617,00 Dit bedrag bestaat uit transacties van $ 2.317,00 $ 1.500,00 $2.500,00 en $ 1.300,00 gedaan op respectievelijk: 7 februari 2007, 1 maart 2007, 2 maart 2007 en 5 maart 2007. Bij de omrekening van dollars naar euro’s hanteert het hof de wisselkoersen op de bijbehorende data. Dit leidt tot de volgende bedragen in euro’s: € I.784,11, € 1.134,22, € 1.899,27 en €993,65.
totaal € 53.321,20
Zaak [betrokkene 5]:
AUD 4.804. Het hof stelt het bedrag van AUD 4.804 (conform p. 30 van het proces-verbaal witwassen) op €2.641.
Het wederrechtelijk verkregen voordeel komt hiermee in totaal op € 648.868,73.
Vervolgprofijt
Het hof hanteert schattenderwijs, met de advocaat-generaal en niet betwist door de verdediging, als redelijke rentemaatstaf een percentage van 2% per jaar, hetgeen bezien over de gehele periode (van 5 jaren x 2% x € 648.868,73) neerkomt op een totaal bedrag -afgezieh van rente over rente- van € 64.886,87, welk bedrag de veroordeelde aan rente heeft kunnen (toen) genereren dan wel aan rente heeft kunnen besparen (door geen geld te hoeven lenen).
Het totaalbedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel komt dan uit op € 713.755,60.
Het hof ontleent deze schatting aan de inhoud van de bewijsmiddelen.”
5. In de aan de bestreden uitspraak gehechte bijlage, inhoudende de bewijsmiddelen, zijn de volgende bewijsmiddelen opgenomen:
“1. Bijlage X-6-1-3 van het dossier. Op dit betaaloverzicht is te zien dat het om een bedrag gaat van € 30.000,00 in plaats van $ 30.000,00.
De berekening komt hiermee op:
€ 15.850,00 + € 30.000,00 = € 45.850,00.
2. 2.1 Bijlage X 38 pagina 18 en 19 van het dossier:
Transacties:
p. 18 € 37.009,95
p. 19 € 10.500,00
2.2 Bijlage X 38 pagina 12 van het dossier:
Transacties:
7 februari 2007 $ 2.317,00 omgerekend in euro’s € 1.784,11
1 maart 2007 $ 1.500,00 omgerekend in euro’s € 1.134,22
2 maart 2007 $ 2.500,00 omgerekend in euro’s € 1.899,27
5 maart 2007 $ 1.300,00 omgerekend in euro’s € 993,65”
6. Bij de beoordeling van het middel dient te worden vooropgesteld dat ingevolge art. 511g, tweede lid, Sv in verbinding met art. 415 en Pro art. 359, derde lid, Sv de uitspraak op een vordering als bedoeld in art. 36e Sr op straffe van nietigheid de inhoud dient te bevatten van de voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel gebezigde bewijsmiddelen, voor zover bevattende de voor die schatting redengevende feiten en omstandigheden. [2]
7. Gelet op de berekening van het hof van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, zien de door het hof gebezigde bewijsmiddelen slechts op de zaken [betrokkene 2] en [betrokkene 4]. Maar het hof geeft slechts een optelsommetje weer, en laat na de redengevende feiten en omstandigheden voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan te duiden. De relatie tussen de door het hof genoemde bedragen en enigerlei strafbaar feit blijkt nergens uit, laat staan de relatie tussen deze bedragen en verdachte. Met betrekking tot de zaken [betrokkene 3] en [betrokkene 5] zijn door het hof in de Aanvulling verkort arrest, houdende de bewijsmiddelen in de ontnemingszaak, in het geheel geen bewijsmiddelen opgenomen. Evenmin kunnen die wettige bewijsmiddelen volgen uit het bestreden arrest zelf of het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. [3] De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontoereikend gemotiveerd.
8. Het middel is terecht voorgesteld.
9. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het hof Amsterdam, opdat deze op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Er bestaat samenhang met de zaak 15/02716. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
2.HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BV9087,
3.Vgl. HR 28 augustus 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5629,