Conclusie
middelklaagt dat de bestreden uitspraak niet de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen bevat waaraan de (gehele) schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend, althans dat die schatting ontoereikend is gemotiveerd.
Parket bij de Hoge Raad
Het hof Amsterdam had aan betrokkene opgelegd om een bedrag van € 713.755,60 aan wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat te betalen, gebaseerd op een schatting van opbrengsten uit diverse strafbare feiten. Deze schatting was onderbouwd met een optelsom van bedragen uit verschillende zaken, waarbij wisselkoersen werden toegepast op buitenlandse valuta.
De verdediging stelde cassatie in met het middel dat de bestreden uitspraak niet de inhoud van de gebruikte bewijsmiddelen bevatte, noch de redengevende feiten en omstandigheden voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel voldoende motiveerde. De Hoge Raad oordeelde dat de uitspraak niet voldeed aan de vereisten van art. 511g Sv in verbinding met art. 415 en Pro 359 Sv, omdat de relatie tussen de genoemde bedragen en de strafbare feiten en verdachte onvoldoende was toegelicht.
De Hoge Raad constateerde dat voor sommige zaken geen bewijsmiddelen waren opgenomen in het dossier en dat de motivering van de schatting ontoereikend was. Daarom werd het middel gegrond verklaard, het arrest vernietigd en de zaak terugverwezen naar het hof Amsterdam voor een nieuwe berechting op het bestaande hoger beroep.
De conclusie benadrukt het belang van een gedetailleerde en transparante motivering van de schatting van wederrechtelijk verkregen voordeel, met vermelding van de bewijsmiddelen en de feiten en omstandigheden die daaraan ten grondslag liggen, conform eerdere jurisprudentie.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest wegens onvoldoende motivering van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en wijst de zaak terug naar het hof Amsterdam.