ECLI:NL:HR:2007:BA5629
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- A.J.A. van Dorst
- J.W. Ilsink
- W.M.E. Thomassen
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ontnemingsvordering en schatting wederrechtelijk verkregen voordeel cocaïnehandel
De Hoge Raad heeft op 28 augustus 2007 het cassatieberoep van betrokkene verworpen tegen een uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage die hem verplicht tot betaling van €200.000 aan wederrechtelijk verkregen voordeel uit cocaïnehandel. De zaak betreft een ontnemingsvordering op grond van art. 36e Sr.
Het hof had de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op basis van verschillende bewijsmiddelen, waaronder een arrest uit 2001, een financieel verslag van rechercheurs en verklaringen van betrokkene over het aantal reizen en koeriers. Hoewel het hof niet alle bewijsmiddelen expliciet in het arrest had opgenomen zoals vereist door art. 511g Sv, leidde dit formele verzuim niet tot cassatie omdat de bewijsmiddelen wel in het dossier aanwezig waren en het hof verwees naar het arrest in de hoofdzaak.
De Hoge Raad oordeelde dat de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel voldoende was onderbouwd met concrete gegevens over de hoeveelheid cocaïne, inkoop- en verkoopprijzen, kosten van koeriers en vergoedingen. Het beroep van betrokkene dat hij slechts per koerier betaald kreeg en niet profiteerde van de verkoop, werd niet aannemelijk geacht. De Hoge Raad vond geen reden tot vernietiging en verwierp het beroep.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de ontnemingsvordering van €200.000 wordt bevestigd.