Conclusie
1.Feiten en procesverloop
dringendereden op: objectief niet, gelet op het advies van de arbo-arts van 5 november 2013 die hervatting van de werkzaamheden alleen zinvol achtte onder veilige omstandigheden, gericht op re-integratie; de opstelling van de werkgeefster sedertdien heeft de problemen doen toenemen. Subjectief niet, omdat de werkgeefster op 20 juni 2014 (na het ontslag) heeft geschreven dat de werknemer van harte welkom is, mits hij vóór 09.00 uur aan het werk is. Bij de beoordeling lette de kantonrechter ook op de omstandigheden van het geval. Daartoe rekende de kantonrechter dat ter zitting is komen vast te staan dat de werkgeefster de werknemer, gelet op zijn ziekte, teveel onder druk heeft gezet. De werkgeefster stelt de eis van uiterlijk om 09.00 uur aanvangen met de arbeid niet aan alle werknemers: in het algemeen gelden flexibele werktijden met een aanvang tussen 08.00 en 09.30 uur. De werkgeefster heeft geen afdoende verklaring gegeven voor haar eis aan de werknemer om precies om 09.00 uur te beginnen (rov. 3.3 Rb).
2.Bespreking van het cassatiemiddel
alleomstandigheden van het geval – in onderling verband en samenhang beschouwd – door de rechter in aanmerking moeten worden genomen [7] , hetzij geen inzicht geeft in zijn gedachtegang daaromtrent. Veeleer blijkt uit het bestreden arrest dat het hof aan de genoemde feiten en omstandigheden, die door de werkgeefster naar voren waren gebracht bij memorie van grieven, geen aandacht heeft besteed. Volgens de toelichting op deze klacht waren deze stellingen essentieel voor beantwoording van de vraag of sprake was van een redelijke opdracht (‘uiterlijk om 09.00 uur beginnen’) en bij de afweging of dit aanvangstijdstip in redelijkheid van de werknemer kon worden verwacht met inachtneming van de overgangsperiode. Indien het hof deze voorgeschiedenis wél in zijn beoordeling zou hebben betrokken, zou het hof volgens de klacht hebben begrepen dat de werknemer (wel kón voldoen, maar) niet wilde voldoen aan de hem gegeven opdracht. De gebeurtenis die direct aanleiding tot het ontslag vormde − het te laat komen op 18 juni 2014 −, was volgens de werkgeefster de spreekwoordelijke druppel die de emmer deed overlopen.
weigerenvan een redelijke opdracht van de werkgever, in combinatie met het door de werkgeefster geschetste voortraject sinds 2011, een zodanig dringende reden oplevert dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden verwacht dat deze volstaat met een lichtere sanctie dan een ontslag op staande voet. Subsidiair acht de werkgeefster hetgeen in rov. 11 is overwogen omtrent alternatieve sanctiemogelijkheden die voor de werkgeefster zouden openstaan ontoereikend gemotiveerd: bij memorie van grieven (punt 39) had de werkgeefster aangevoerd dat zij een loonsanctie op de werknemer heeft toegepast, hetgeen kennelijk geen indruk op hem heeft gemaakt.
Onderdeel 2.8, gericht tegen rov. 9 en het dictum, mist zelfstandige betekenis naast de voorgaande klachten waarop het voortbouwt.
comme il faut. Met de beslissing over de nietigheid van het gegeven ontslag op staande voet was immers nog geen beslissing gegeven over het subsidiaire verweer van de werkgeefster tegen de hoogte van de loonvordering, noch over het verweer van de werkgeefster tegen de (hoogte van de) gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten.