Conclusie
als de op 18 november 1994 tegenover de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] afgelegde verklaring van [betrokkene 4]:
als de op 21 november 1994 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van [betrokkene 6]:
Aan dit naar voren gebrachte gegeven kan dus, in ieder geval op zichzelf bezien, niet een ernstig vermoeden worden ontleend dat de bewezenverklaring onjuist is.
Het mechanisme van ontstaan van deze stipvormige bloeduitstortingen in het kader van doorgemaakt (samen) drukkend geweld op de hals/drukverhogende momenten en op de mond, is tweeledig en wel als volgt:
2e Bij drukverhogende momenten, zoals adempogingen tijdens het (dicht)drukken van de mond neemt de druk in de borstkas en daarmee ook in de haarvaten toe, hetgeen tevens kan leiden tot ruptuur van de haarvaten en vorming van stipvormige bloeduitstortingen.
-Opmerking: Indien puntvormige bloeduitstortingen gelokaliseerd zijn in lijkvlekken, dient men erop bedacht te zijn dat ze in dat geval niet meer dan een postmortaal verschijnsel kunnen zijn. In het onderhavige geval is dat niet aan de orde omdat de lijkvlekken niet voorwaarts aan het lichaam waren gepositioneerd. (Bron: Knight’s Forensic Pathology, third edition, pagina 353-356).
Voorts zijn bij sectie bevindingen sub B3 vastgesteld, namelijk stipvormige bloeduitstortingen op het hartoppervlak, het oppervlak van de zwezerik en aan het oppervlak van de (zeer waarschijnlijk) linkerslaapspier en in het bindvlies van het schedeldak. Deze stipvormige bloeduitstortingen zijn aspecifiek en kunnen velerlei oorzaken hebben. Ze worden vaker gezien als postmortaal verschijnsel (in lijkvlekken), bij baby’s worden ze met regelmaat bij wiegendood gezien (met betrekking tot hartoppervlak + zwezerik). Ze worden doorgaans niet gezien als verschijnsel van doorgemaakt samendrukkend geweld op de hals.”
Opgemerkt wordt dat in het sectierapport van dr. R. Visser, het letsel aan de linkermondhoek/overgang gelaat als een litteken wordt geïnterpreteerd, doch bij herbeoordeling van de sectiefoto door ondergetekende blijkt dit geen litteken te zijn maar een vitaal en recent voor het overlijden ontstaan letsel te zijn. De mogelijkheid van doorgemaakt geweld op de mond door (af) drukken van de mond en daarmee een bijdrage aan het intreden van de dood is destijds (wellicht daarom) ook niet genoemd door dr. R. Visser.”
Het longweefsel was normaal celrijk en sporadisch werd er een enkele segmentkernige ontstekingscel waargenomen. (…)