Conclusie
1.Feiten en procesverloop
primaireen vordering uit geldleningsovereenkomst van 8 januari 2003 waarin [verweerster] is gesubrogeerd en waarop [verweerster] zich in plaats van [betrokkene 2] als verstrekker van de geldlening beroept jegens alle hoofdelijk verbonden partijen: [BH [A]] , [HO [A]] en de kleindochters van [BH [A]] ;
subsidiaireen regresvordering uit hoofde van artikel 4 van Pro de overeenkomst van 13 januari 2003. [10]
primairegrondslag van de vordering verworpen (rov. 5.4-5.7). Ten aanzien van de
subsidiairegrondslag heeft het hof geoordeeld dat [HO [A]] en de kleindochters van [BH [A]] op grond van artikel 4 van Pro de overeenkomst van 13 januari 20003 in beginsel door [verweerster] kunnen worden aangesproken ter zake van het door [betrokkene 2] ten laste van [verweerster] uitgewonnen bedrag (rov. 5.8) en wel hoofdelijk (rov. 5.9-5.11). Het verweer van de curator dat [BH [A]] als bestuurder van [HO [A]] en indirect bestuurder van de kleindochters bij het aangaan van de overeenkomst van 13 januari 2003 heeft gehandeld met tegenstrijdig belang, is door het hof verworpen (rov. 5.12-5.17), zodat de vordering op basis van de subsidiaire grondslag toewijsbaar was (rov. 5.19).
2.Bespreking van het cassatiemiddel
(indirect) bestuurder [betrokkene 1], nu zij een tegenstrijdig belang hadden met [betrokkene 1] in de zin van art. 2:256 BW Pro (oud).
132. Deze situatie doet zich hier voor, hetgeen reeds uit de (door [verweerster] niet weerlegde) vergelijking van de juridische positie van de Dochtervennootschappen met en zonder hoofdelijke aansprakelijkheid evident is. De wens om meer zekerheden (al dan niet in de vorm van de hoofdelijke aansprakelijkheid) mag overigens volstrekt begrijpelijk zijn, doch dat neemt niet weg dat het in deze situatie voor de hand ligt dat de handelende bestuurder – indirect [betrokkene 1] / [B] BV (50% aandeelhouder van [verweerster] en slechts bestuurder zonder aandelen of certificaten in de juniorentak ( [BH [A]] en haar Dochtervennootschappen) – zich bij het handelen in het kader van het aangaan van de Medeaansprakelijkheidsovereenkomst niet louter door de belangen van de Dochtervennootschappen (of de juniorentak) heeft laten leiden. Sterker nog, in de considerans van de Medeaansprakelijkheidsovereenkomst staat vrij letterlijk omschreven welk belang voor de handelende directeur [betrokkene 1] daarbij daadwerkelijk voorop stond: “… dat [verweerster] daarom bereid is,met het oog op het zoveel mogelijk veilig stellen van haar eigen vorderingen, mede aansprakelijk te zijn voor de nakoming van de verplichtingen van [BH [A]] uit hoofde van de leningsovereenkomst tussen [BH [A]] en schuldeiser…”
[BH [A]]als (indirect) bestuurder van de (klein)dochter(s) van [BH [A]] bij het aangaan van de overeenkomst van 13 januari 2003 heeft gehandeld met een tegenstrijdig belang (en vervolgens tot het oordeel is gekomen dat daarvan geen sprake is). Uit deze overwegingen volgt niet althans niet voldoende kenbaar of het hof, daarnaast, het verweer van de curator ten aanzien van de onbevoegde (indirecte) vertegenwoordiging door (uiteindelijk)
[betrokkene 1]in zijn oordeel heeft betrokken. Indien het hof dit verweer, al dan niet in rov. 5.16 voorlaatste volzin (
“Naast het (…) moeten onthouden.”), heeft verworpen, is dat in het licht van de stellingen van de curator ontoereikend gemotiveerd.
resultaatis bereikt dat – zij het via de band van 1) een extra hoofdelijk schuldenaar ( [verweerster] ) en 2) diens verhaal op de hoofdelijk verbonden (klein)dochter(s) van [BH [A]] – gelijk is aan hetgeen met de eerste overeenkomst was beoogd maar niet was gerealiseerd (verhaal van [betrokkene 2] op de hoofdelijk verbonden (klein)dochter(s)). Het hof overweegt – in cassatie onbestreden – dat de curator niet heeft verdedigd dat (en waarom) als dat resultaat meteen bij de eerste overeenkomst was overeengekomen, bij [BH [A]] sprake zou zijn geweest van handelen met een tegenstrijdig belang. Nu de curator, afgezien van zijn op geïsoleerde beschouwing van de tweede overeenkomst gebaseerde en daarom (terecht) verworpen betoog, naar het (eveneens onbestreden) oordeel van het hof overigens onvoldoende heeft gesteld voor – kort gezegd – de aanwezigheid van tegenstrijdig belang (rov. 5.16 voorlaatste volzin (“
Naast het (…) moeten onthouden.”), wordt het beroep daarop verworpen. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk en behoeft geen nadere motivering.
at/m
f):
(a)In het kader van deze uitleg is het doel en de achtergrond van de geldlening van belang. De curator heeft in hoger beroep niet langer betwist dat het door [betrokkene 2] verstrekte krediet aan de gehele groep ten goede is gekomen. De curator heeft, in tegendeel, erkend dat de gehele groep (dus ook [HO [A]] en de kleindochters van [BH [A]] ) behoefte had aan liquiditeit en dat de lening in deze behoefte voorzag en er juist toe diende de continuïteit van de dochtermaatschappijen te waarborgen (o.a. MvA 31, 35, 42 en 58).
regresvordering" heeft op “
[BH [A]] en of haar dochtermaatschappijen”. Wat [BH [A]] ( [BH [A]] ) betreft, klopt die woordkeuze omdat zij naast [verweerster] schuldenaar is van [betrokkene 2] . Wat de (klein)dochter(s) betreft is die woordkeuze echter onjuist, omdat hiervoor is vastgesteld dat zij geen medeschuldenaren waren van [betrokkene 2] en evenmin de bedoeling van de overeenkomst was dat zij dit alsnog werden.
b) dat de curator op zichzelf niet betwist dat in de kredietpraktijk dochtervennootschappen die van een krediet meeprofiteren zich naast de moeder als hoofdelijk medeschuldenaar plegen mee te verbinden, zoals dat in dit geval ook is geschied met betrekking tot het door ING aan de Storteboomgroep verstrekte “paraplukrediet". Het berust op de lezing dat het hof (ook) heeft bedoeld dat de curator niet heeft betwist dat een daarmee vergelijkbare situatie zich in de onderhavige zaak voordeed en klaagt dat dat onbegrijpelijk is in het licht van het betoog van de curator dat en waarom de onderhavige lening niet vergelijkbaar was met het krediet van ING. [13]
c) dat de curator niet heeft weersproken en zelfs heeft erkend dat de overeenkomst van 13 januari 2003 strekte tot herstel van de omissie die erin bestond dat op 8 januari 2003 geen
hoofdelijkeverbondenheid van de (klein)dochter(s) is overeengekomen. Volgens de klacht is die vaststelling onbegrijpelijk. Daartoe wordt aangevoerd dat de curator in de door het hof genoemde vindplaatsen (MvA nrs. 32 en 91) niet heeft erkend dat de overeenkomst van 13 januari 2003 ertoe strekte alsnog
hoofdelijkeverbondenheid te realiseren. Integendeel: de curator heeft de stellingen van [verweerster] over het alsnog overeenkomen van hoofdelijkheid afzonderlijk weergegeven [14] en vervolgens weersproken. [15]
“de wenselijk geachte zekerheden”er helemaal niet waren heeft geleid tot het sluiten van de overeenkomst van 13 januari 2003 welke nieuwe verplichtingen in het leven bedoelde te roepen.
“de wenselijk geachte zekerheden”(in MvA nr. 32) zo begrepen dat de curator daarmee (in ieder geval ook) heeft bedoeld de hoofdelijke verbondenheid van de (klein)dochter(s) van [BH [A]] . Deze interpretatie van voornoemde stelling van de curator is niet onbegrijpelijk in verband met de volgende omstandigheden (zeker in samenhang gezien):
“De strekking van de overeenkomsten en de bedoelingen van partijen”) dat bij overeenkomst van 8 januari 2003 [17] geen hoofdelijke verbondenheid van de (klein)dochter(s) overeengekomen is (
“(…) doch zonder daarbij (op dat moment al) zekerheden in welke vorm dan ook te bedingen,[22] zelfs zonder dat de Dochtervennootschappen wier continuïteit daarmee gewaarborgd diende te worden zich jegens hem hoofdelijk aansprakelijk zouden verbinden.”);
“Datzelfde blijkt (…) (Waarvan akte!).”), MvA nr. 32 4e volzin) van zijn stelling dat juist het feit dat partijen hebben beseft dat
“de wenselijk geachte zekerheden”er helemaal niet waren heeft geleid tot het sluiten van de overeenkomst van 13 januari 2003, naar hetgeen [verweerster] heeft gesteld in MvG nr. 97. Daar stelt [verweerster] dat per abuis bij overeenkomst van 8 januari 2003 geen hoofdelijke verbondenheid van de (klein)dochter(s) is overeengekomen en dat de overeenkomst van 13 januari 2003 strekte tot herstel van die omissie.
de wenselijk geachte zekerheden”kennelijk en begrijpelijkerwijs zo heeft opgevat dat de curator daarmee (in ieder geval ook) heeft bedoeld de hoofdelijke verbondenheid van de (klein)dochter(s) van [BH [A]] , is niet onbegrijpelijk ’s hofs vaststelling dat de curator niet heeft weersproken en zelfs heeft erkend (
“Datzelfde blijkt (…) (Waarvan akte!).”, MvA nr. 32 4e volzin) dat de overeenkomst van 13 januari 2003 strekte tot herstel van de omissie die erin bestond dat op 8 januari 2003 geen hoofdelijke verbondenheid van de (klein)dochter(s) is overeengekomen.
“(hetgeen volledig in lijn is met de uitleg die de Curator geeft aan hetgeen in januari 2003 omtrent het lenen van € 2.5 miljoen geschiedde).”kennelijk zo uitlegt dat de curator voornoemde stelling van [verweerster] niet heeft weersproken en zelfs heeft erkend.
erkenningvan de curator valt te lezen van de stelling van [verweerster] dat per abuis bij overeenkomst van 8 januari 2003 geen hoofdelijke verbondenheid van de (klein)dochter(s) van [BH [A]] is overeengekomen en de overeenkomst van 13 januari 2003 strekte tot herstel van die omissie, dan faalt de klacht bij gebrek aan belang. Anders dan het subonderdeel betoogt, heeft de curator voornoemde stelling van [verweerster] in ieder geval niet
weersproken, zodat het hof die stelling in dat geval terecht als onbetwist ex art. 149 Rv Pro voor juist heeft gehouden.
(vgl. MvA nr. 91 1ste volzin en 92 laatste volzin:
“aldus [verweerster] in randnummer 92”). Het betreft derhalve de bespreking van de (sub)grief van [verweerster] tegen de eerste zin van rov. 5.18 van het vonnis in eerste aanleg.
dat de (klein)dochter(s) van [BH [A]] (reeds) hoofdelijk partij waren bij de overeenkomst van 8 januari 2003en de in dat kader getrokken vergelijking door [verweerster] met de situatie dat een bank financiering aan een groep verstrekt en daarvoor een hoofdelijke aansprakelijkheid van alle groepsleden bedingt en de daarmee verband houdende verwijzing van [verweerster] naar het ING krediet van de juniorengroep.
subsidiaire(vgl. nr. 96 MvG en rov. 5.10 7e volzin, eerste deel) stelling van [verweerster] (in MvG nr. 97)
dat de overeenkomst van 13 januari 2003 strekte tot herstel van de omissie die erin bestond dat op 8 januari 2003 geen hoofdelijke verbondenheid van de dochtervennootschappen is overeengekomenis niet onbegrijpelijk. Voornoemd betoog van de curator heeft immers betrekking op de primaire stelling van [verweerster] , maar niet op de subsidiaire stelling.
subonderdeel 2.3heeft geen zelfstandige betekenis en deelt het lot van subonderdeel 2.2.
c, een
f. Het subonderdeel bestaat uit een aantal klachten die hieronder afzonderlijk zullen worden besproken.
eersteklacht van subonderdeel 2.4 berust op de lezing dat het hof met voornoemd oordeel heeft gedoeld op hoofdelijke verbondenheid
jegens [betrokkene 2]en klaagt dat 's hofs oordeel over het herstel van die omissie onbegrijpelijk is, want innerlijk tegenstrijdig met de vaststelling [19] dat (partijen het erover eens zijn dat) de overeenkomst van 13 januari 2003 er
niettoe strekte de (klein)dochter(s) alsnog partij te maken bij de geldleningsovereenkomst (de overeenkomst van 8 januari 2003) in die zin dat zij alsnog daarbij zouden toetreden als hoofdelijke schuldenaren van [betrokkene 2] . Het hof heeft weliswaar vastgesteld dat de (klein)dochter(s) door de overeenkomst van 13 januari 2003 zich hoofdelijk hebben verbonden jegens [verweerster] , maar daarmee is niet de omissie hersteld dat zij zich niet al op 8 januari 2003 hoofdelijk hadden verbonden jegens [betrokkene 2] , aldus de klacht.
niettoe strekte exact dezelfde rechtstoestand te realiseren die bij de overeenkomst van 8 januari 2003 was nagelaten te bereiken, maar om via de band van a) een extra hoofdelijk schuldenaar ( [verweerster] ) en b) diens verhaal op de hoofdelijk verbonden (klein)dochter(s) van [BH [A]] een zelfde
resultaatte bereiken als wanneer de (klein)dochter(s) zich van meet af aan rechtstreeks hoofdelijk jegens [betrokkene 2] hadden verbonden. In
diezin is de ‘omissie’ volgens het hof hersteld.
tweedeklacht leest de door het hof bedoelde ‘omissie’ aldus dat bij de eerste overeenkomst op 8 januari 2003 (ook) niet al een
verbintenis(ik begrijp: van de (klein)dochter(s) van [BH [A]] )
jegens hoofdelijk medeschuldenaren van [betrokkene 2] en potentieel regresgerechtigden (zoals [verweerster] )is overeengekomen.
derdeklacht van subonderdeel 2.4, inhoudende dat het hof onvoldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd welk ‘herstel’ van welke ‘omissie’ klaarblijkelijk tot de conclusie van het hof heeft geleid dat de (klein)dochter(s) van [BH [A]] zich hoofdelijk jegens [verweerster] hebben verbonden.
onder (i)houdt in dat de tekst van de overeenkomst van 13 januari 2003 niets vermeldt over hoofdelijke verbondenheid van de (klein)dochter(s) van [BH [A]] jegens [verweerster] . [20]
(i)ziet het middel eraan voorbij dat het hof zich juist met het oog op die omstandigheid heeft gezet aan uitleg van de bepaling aan de hand van de Haviltex-norm. Voorts heeft het hof de stellingen
(i)en
(ii)genoegzaam besproken in rov. 5.10 onder
d-fwaar het overweegt dat de overeenkomst van 13 januari 2003 bepaalt dat [verweerster] een
“regresvordering"heeft op
“ [BH [A]] en of haar dochtermaatschappijen”, dat deze woordkeuze wat de (klein)dochter(s) betreft onjuist is en het hof artikel 4 van Pro de overeenkomst van 13 januari 2003 op grond van (onder meer) de klaarblijkelijke bedoeling van partijen en in het licht van de kennelijke strekking van de rechtshandeling aldus uitlegt dat bedoeld is dat de (klein)dochter(s) van [BH [A]] zich hoofdelijk jegens [verweerster] verbonden. Vgl. ook rov. 5.11
“(…) (hierna te noemen "het regresrecht", hoewel dus van een regres in de zin van verhaal op een medeschuldenaar geen sprake is). (…)”.
onder (iii)betoogt dat [verweerster] eerder leningen van € 7,9 miljoen heeft verstrekt aan het Storteboomconcern, zonder dat daarbij hoofdelijke verbondenheid is overeengekomen. Daaruit volgt dus (juist) niet dat hoofdelijke verbondenheid gebruikelijk was binnen het concern. [22]
onder (iv)voert aan, kort gezegd, dat de onderhavige situatie niet vergelijkbaar is met die van een bankkrediet. [23]
a), dat de curator op zichzelf niet betwist dat in de kredietpraktijk dochtervennootschappen die van een krediet meeprofiteren zich naast de moeder als hoofdelijk medeschuldenaar plegen mee te verbinden, zoals dat in dit geval ook is geschied met betrekking tot het door ING bank aan de Storteboomgroep verstrekte "paraplukrediet" (onder
b), dat echter vast staat dat die hoofdelijke verbondenheid van de (klein)dochter(s) op 8 januari 2003 niet is overeengekomen en dat naar het oordeel van het hof de overeenkomst van 13 januari 2003 strekte tot herstel van die omissie, hetgeen [verweerster] subsidiair stelt en de curator volgens het hof niet heeft weersproken en zelfs heeft erkend (sub
c). De stelling van de curator dat [verweerster] eerder leningen van € 7,9 miljoen heeft verstrekt aan het Storteboomconcern, zonder dat daarbij hoofdelijke verbondenheid is overeengekomen, heeft het hof kennelijk niet leidend geacht voor het onderhavige (specifieke) geval. Dit is, mede gezien de eerder genoemde omstandigheden (i.h.b. het niet weerspreken van de stelling van [verweerster] dat per abuis bij overeenkomst van 8 januari 2003 geen hoofdelijke verbondenheid van de (klein)dochter(s) van [BH [A]] is overeengekomen en de overeenkomst van 13 januari 2003 strekte tot herstel van die omissie, zie subonderdeel 2.2) niet onjuist noch onbegrijpelijk.
onder (v)strekt tot betoog dat aan de stellingen in de door [verweerster] bij MvG overgelegde verklaringen (prod. 23-28) moet worden voorbijgegaan, nu het hier gaat om zeer op elkaar lijkende en deels woordelijk identieke, achteraf opgestelde verklaringen van zes betrokkenen, die door de opstellers achteraf als wenselijker of voordeliger zijn beschouwd. [25]
subonderdeel 2.6heeft geen zelfstandige betekenis en deelt het lot van subonderdeel 2.5.