Conclusie
1.Feiten en procesverloop
Artikel 5
in samenhang metde derde overeenkomst d.d. 28 januari 2003 ter beschikking is gesteld. De getuige [getuige 4] , financieel directeur van [eiseres] , die de derde overeenkomst namens [eiseres] heeft ondertekend, heeft verklaard niet zelf het personeelsreglement van 1 januari 2002 aan [verweerder] te hebben overhandigd.
bijgevoegdearbeidsvoorwaarden en dat het hof terugkomt op zijn in het tussenarrest onder 4.11 opgenomen beslissing dat het relatiebeding rechtsgeldig tussen [eiseres] en [verweerder] is overeengekomen.
2.Inleidende beschouwingen
schriftelijkis overeengekomen. Dit vereiste is strenger dan de vroegere regeling in art. 7A:1637x lid 1 (oud) BW, toen een concurrentiebeding ook tot stand kon komen door opneming daarvan in het personeelsreglement. In de parlementaire geschiedenis van art. 7:653 BW Pro is deze keuze toegelicht als volgt:
hoeaan het schriftelijkheidsvereiste wordt voldaan. Het ging toen om een concurrentiebeding dat was opgenomen in arbeidsvoorwaarden die niet door de werknemer waren ondertekend, maar waarmee de werknemer zich akkoord had verklaard door ondertekening van een brief waarbij die arbeidsvoorwaarden waren gevoegd. Het hof was van oordeel dat daarmee voldaan was aan het schriftelijkheidsvereiste. Hiertegen werd in cassatie opgekomen met het betoog dat op grond van het schriftelijkheidsvereiste de arbeidsvoorwaarden zelf door de werknemer moeten zijn ondertekend, althans dat op zijn minst de akkoordverklaring in de brief uitdrukkelijk naar de aanvaarding van het concurrentiebeding moet verwijzen. De Hoge Raad heeft dat betoog verworpen:
voor onbepaalde tijden het beding schriftelijk is overeengekomen met een meerderjarige werknemer. Het nieuwe tweede lid houdt in, dat in een arbeidsovereenkomst
voor bepaalde tijdeen concurrentiebeding kan worden opgenomen mits uit de bij dat beding opgenomen schriftelijke motivering van de werkgever blijkt dat het beding noodzakelijk is vanwege zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen. Uit de parlementaire geschiedenis van de WWZ blijkt dat hieraan ten grondslag ligt de gedachte dat een werknemer met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd ‘dubbel nadeel’ ondervindt: het staat op voorhand vast dat het tijdelijke contract in duur beperkt is, terwijl een concurrentiebeding vaak belemmerend zal werken bij de overstap naar een andere baan [20] .
voor onbepaalde tijd [22] . Uit het nieuwe eerste en tweede lid van art. 7:653 en Pro de zojuist bedoelde passages uit de parlementaire geschiedenis kan worden afgeleid dat met de inwerkingtreding van de WWZ verschillende schriftelijkheidsvereisten gelden, naar gelang het concurrentiebeding betrekking heeft op een arbeidsovereenkomst voor
bepaaldedan wel voor
onbepaaldetijd. Wat betreft een contract voor bepaalde tijd, dient het concurrentiebeding in de overeenkomst zelf te zijn opgenomen en kan niet meer worden volstaan met verwijzing naar een ander document. Gaat het om een arbeidsovereenkomst voor
onbepaaldetijd, dan geldt nog steeds de maatstaf van het arrest [P/O] . Daaraan doet m.i. niet af dat de minister op de vraag of het concurrentiebeding in een collectieve regeling kan worden opgenomen, heeft geantwoord dat dit niet mogelijk is “(a)angezien een concurrentiebeding tussen een individuele werkgever en de individuele werknemer moet worden overeengekomen”. [23] De minister lijkt hier alleen te spreken over arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd: de passage is onderdeel van de beantwoording van vragen van de Adviescommissie Arbeidsrecht van de NOvA over contracten voor bepaalde tijd [24] . De rechtvaardiging voor een strikter schriftelijkheidsvereiste bij een arbeidsovereenkomst voor
bepaaldetijd is dan gelegen in het in de parlementaire geschiedenis benadrukte dubbele nadeel voor de werknemer. Overigens blijft een concurrentiebeding in een arbeidsovereenkomst die gesloten is vóór de wijziging van art. 7:653 per Pro 1 januari 2015 onder het vóór die datum geldende recht vallen [25] .
binnen een concernvan werkgever wisselt, het concurrentiebeding opnieuw schriftelijk moet worden overeen gekomen, tenzij sprake is van een overgang van onderneming als bedoeld in art. 7:662 e.v. BW [26] . De vraag of opnieuw aan het schriftelijkheidsvereiste moet worden voldaan speelt ook in het geval dat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (zonder tegenspraak) wordt voortgezet [27] .
3.Bespreking van het principaal cassatiemiddel
onderdeel1 klaagt [eiseres 1] dat het uiteindelijke oordeel van het hof (in rov. 2.6 van het tweede tussenarrest en in rov. 2.6 - 2.8 van het eindarrest) dat niet is voldaan aan de uit art. 7:653 lid 1 BW Pro voortvloeiende eis dat het personeelsreglement 2002
in samenhang met de arbeidsovereenkomstd.d. 28 januari 2003 aan [verweerder] ter beschikking is gesteld, en dat [verweerder] ook niet uitdrukkelijk heeft verklaard met het relatiebeding in te stemmen, onjuist of ontoereikend gemotiveerd is in het licht van de onder a - c hiervoor genoemde omstandigheden. De klacht is nader uitgewerkt onder 1.1 - 1.4.
onder 1.1heeft betrekking op het in alinea 2.4 hiervoor onder (i) genoemde vereiste. [eiseres 1] betoogt dat uit het arrest [P/O] volgt dat het erom gaat of de werknemer tot uitdrukking heeft gebracht dat hij van het concurrentiebeding heeft kennisgenomen, dat hij de consequenties van dit voor hem bezwarende beding heeft overwogen en met dat beding heeft ingestemd. Volgens de klacht is daartoe al voldoende dat [verweerder] (blijkens art. 8 van Pro de arbeidsovereenkomst) kennis had genomen van de arbeidsvoorwaarden in het personeelsreglement 2002, waaronder het relatiebeding in art. 6.1, dat deze voorwaarden een ondeelbaar geheel met de arbeidsovereenkomst vormen en dat [verweerder] uitdrukkelijk heeft verklaard daarmee akkoord te gaan.
nietals bijlage bijgevoegd document waarin een concurrentiebeding voorkomt, tenzij de werknemer daarbij uitdrukkelijk verklaart dat hij met het concurrentiebeding instemt. Daaruit volgt dat in dit geval niet aan het schriftelijkheidsvereiste is voldaan op grond van enkel de inhoud van art. 8 van Pro de door [verweerder] ondertekende arbeidsovereenkomst. Voor zover de klacht mede steunt op de hiervoor onder a - c genoemde omstandigheden, leidt zij niet tot een andere uitkomst. Het hof heeft de eis mogen stellen dat de tekst van de arbeidsvoorwaarden met het beding “in samenhang met” de arbeidsovereenkomst aan de werknemer ter beschikking wordt gesteld. Het arrest [P/O] spreekt immers van de “bijgevoegde arbeidsvoorwaarden”. Wanneer de tekst van de arbeidsvoorwaarden geruime tijd voor het tekenen van de arbeidsovereenkomst aan de werknemer is verstrekt (in dit geval: ongeveer een jaar eerder), bestaat onvoldoende zekerheid dat de werknemer ten tijde van het aangaan van de arbeidsovereenkomst op basis van de enkele verwijzing in die arbeidsovereenkomst naar de arbeidsvoorwaarden zich ervan bewust is dat hij een concurrentiebeding aangaat. Het oordeel laat zich heel goed plaatsen in de door de Hoge Raad bedoelde waarborgfunctie van het schriftelijkheidsvereiste.
onder 1.2heeft betrekking op het in alinea 2.4 hiervoor onder (ii) genoemde vereiste. [eiseres 1] klaagt dat het hof (in rov. 2.6 van het tweede tussenarrest en rov. 2.8 van het eindarrest) ten onrechte ervan is uitgegaan dat slechts dan sprake is van een ‘uitdrukkelijke verklaring’ dat de werknemer met het concurrentiebeding instemt, wanneer de werknemer met zoveel woorden verklaart met het beding in te stemmen. Volgens het onderdeel is niet vereist dat in de verklaring expliciet naar het concurrentiebeding wordt verwezen. Hieraan wordt toegevoegd
onder 1.3dat het hof bij de uitleg van de akkoordverklaring had moeten letten op alle relevante omstandigheden waaruit kan worden opgemaakt dat de werknemer (vóór de ondertekening van de arbeidsovereenkomst) kennis heeft genomen van de arbeidsvoorwaarden met het beding, ook al waren die niet bijgevoegd, en de consequenties daarvan goed heeft overwogen. Volgens het onderdeel is het hof uitgegaan van een onjuiste maatstaf, door niet de onder a - c genoemde omstandigheden te betrekken in het antwoord op de vraag.
in samenhang met de arbeidsovereenkomstaan [verweerder] verstrekt had moeten worden, zodat niet voldoende is de stelling dat de tekst van dat reglement een jaar eerder aan [verweerder] ter beschikking is gesteld. Een rechtsoordeel kan niet met succes worden bestreden door middel van een motiveringsklacht. Daarop strandt het betoog over het tekortschieten van de door het hof gegeven motivering.
in samenhang met de arbeidsovereenkomstaan [verweerder] ter beschikking was gesteld.
4.Bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatiemiddel
onder 1.1 en 1.2houdt in dat het hof heeft miskend [31] dat het enkele voor akkoord tekenen van een document waarin wordt verwezen naar een - al dan niet bijgevoegde - bijlage met daarin opgenomen een concurrentie- of relatiebeding, niet voldoende is om de gevolgtrekking te maken dat de werknemer het in die bijlage opgenomen concurrentie- of relatiebeding schriftelijk heeft aanvaard. Op zijn minst zal bij een akkoord als hier aan de orde (te weten: met een bijlage die niet is bijgevoegd) de eis worden gesteld dat het akkoord óók naar de aanvaarding van het in de bijlage opgenomen concurrentie- of relatiebeding verwijst.
voor bepaalde tijddat het concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst moet worden opgenomen, terwijl volgens het middel kan worden volstaan met een uitdrukkelijke verwijzing naar een concurrentiebeding dat in een ander document is opgenomen [34] . De klacht onder 1.1 en 1.2 faalt.
onder 1.3dat onbegrijpelijk is hoe het hof tot zijn oordeel is gekomen dat [verweerder] schriftelijk akkoord ging met het relatiebeding, op basis van niet meer dan zijn akkoord in art. 8 van Pro de arbeidsovereenkomst d.d. 28 januari 2003 met het (niet bij die arbeidsovereenkomst gevoegde) 29 pagina’s tellende personeelsreglement 2002, in combinatie met het feit dat [verweerder] ruim een jaar eerder de beschikking heeft gehad over de tekst van dat personeelsreglement.
onder 2.1dat het hof (in rov. 4.7 en 4.9 - 4.11 van het eerste tussenarrest) de maatstaf van het arrest [P/O] heeft miskend, doordat het hof niet van belang heeft geacht dat het personeelsreglement 2002 niet bij de arbeidsovereenkomst d.d. 28 januari 2003 van [verweerder] was gevoegd, noch in samenhang met deze arbeidsovereenkomst aan [verweerder] ter beschikking was gesteld.
onder 2.2over onjuistheid of onbegrijpelijkheid van het oordeel in het eerste tussenarrest, dat het door [verweerder] gepresenteerde (tegen-)bewijs niet heeft kunnen ontzenuwen dat het personeelsreglement 2002 bij de arbeidsovereenkomst van 28 januari 2003 was gevoegd, althans in samenhang met de arbeidsovereenkomst van 28 januari 2003 aan [verweerder] ter beschikking was gesteld. Volgens de klacht kunnen de door het hof in rov. 4.10 van het eerste tussenarrest geciteerde getuigenverklaringen niet de gevolgtrekking dragen dat het personeelsreglement bij de arbeidsovereenkomst d.d. 28 januari 2003 was gevoegd of in samenhang daarmee aan [verweerder] ter beschikking was gesteld.
onder 3.1houdt in dat het hof in rov. 4.10 een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd. De klacht
onder 3.2voegt hieraan toe dat het op grond van art. 7:653 lid 1 BW Pro aan de werkgever is, te stellen en te bewijzen dat aan het schriftelijkheidsvereiste is voldaan. Met de beschermingsgedachte is volgens de klacht onverenigbaar dat een werkgever aan zijn stelplicht en bewijslast zou kunnen voldoen door in de arbeidsovereenkomst op te nemen dat een personeelsreglement is bijgevoegd en aan de werknemer ter beschikking is gesteld, behoudens door de werknemer te leveren tegenbewijs.
bij of in verband metde arbeidsovereenkomst d.d. 28 januari 2003 [35] . In dat licht is op zichzelf beschouwd onjuist noch onbegrijpelijk dat het hof in rov. 4.10 tot het oordeel is gekomen dat [verweerder] niet is geslaagd in het leveren van het bedoelde tegenbewijs. [36] Deze klacht faalt.