Conclusie
1.Feiten en procesverloop
Allgemeine Vollmacht”ten aanzien van een nummerrekening met nummer [001] (verder: de nummerrekening), waarbij zij [eiser] een
“unbeschränkte Vollmacht”verleent “
zu meiner Vertretung gegenüber der UBS AG”. Het betreft hier een bank in Zwitserland. De volmacht omvat ook
“Testament”onder meer:
U heeft te kennen gegeven dat u uw zoon [eiser] tot enig erfgenaam wenst te benoemen. Daarnaast wenst u uw pleegzoon [verweerder] een geldbedrag na te laten. Daartoe dient u een nieuw testament te maken.”
"Enkele varianten”staat:
“Conclusie en aanbevelingen”onder meer:
daarnaast raden wij u aan zo spoedig mogelijk een nieuw testament op te laten stellen daar het uw wens is dat uw zoon [eiser] uw enige erfgenaam zal zijn.”
“to manage which Dutch government bodies will analyse them, nor what conclusions may be drawn from their contents by the Dutch authorities.”
“The foreign funds, held by his mother but are no part of her estate, are known to the Dutch taxauthorities as I wrote you before.”
“op verzoek en in opdracht van”erflaatster het saldo van de Zwitserse rekening van erflaatster ten titel van schenking naar zichzelf heeft overgemaakt, daarbij gebruikmakend van de hem in 1999 gegeven volmacht. [5]
a.en
b.is beslist, het bestreden vonnis vernietigd voor zover daarin in het dictum onder onder
c.en
d.is beslist, en, in zoverre opnieuw rechtdoende,
2.Bespreking van het cassatiemiddel
“Mijn moeder was thuis in financiële zaken. Ook in 2008 was zij in staat daarover te spreken.”.Nu [eiser] zelf verklaart dat erflaatster thuis was in financiële zaken is het opmerkelijk dat erflaatster niet zelf de opdracht heeft gegeven om het bedrag van € 643.497,- aan [eiser] over te boeken of enig geschrift te onderteken[en] waarin staat dat zij het bedrag van € 643.497,- aan [eiser] schenkt. Uit geen enkel schriftelijk stuk opgesteld of ondertekend door erflaatster volgt dat zij aan [eiser] het bedrag van € 643.497,- heeft geschonken. Het hof is van oordeel dat op basis van de gestelde feiten zelfs het begin van bewijs van de schenking niet is aangetoond door [eiser] . Het hof is van oordeel dat [eiser] eigenmachtig zonder recht of titel het bedrag van € 643.497,- van de rekening van erflaatster heeft afgehaald.”
“op [eiser] de bewijslast [rust] om te bewijzen dat erflaatster aan hem een schenking heeft verricht van € 643.497,-”. Het onderdeel bestaat uit een inleiding, die geen klachten bevat, en vier subonderdelen.
Subonderdeel 1.2berust op de lezing dat het hof heeft geoordeeld dat [eiser] voornoemde stelling van [verweerder] onvoldoende gemotiveerd zou hebben betwist. Het bestrijdt dit oordeel met verschillende rechts- en motiveringsklachten.
Subonderdeel 1.4strekt ten betoge dat voor zover het hof zijn oordeel dat [eiser] (krachtens omkering) de bewijslast draagt (mede) heeft gegrond op de overweging(en): (i) dat [eiser] zelf naar Zwitserland is gegaan en zelf het bedrag van € 643.497,- naar zichzelf en zijn echtgenote heeft overgeboekt, (ii) dat erflaatster thuis was in financiële zaken en het opmerkelijk is dat zij niet zelf opdracht heeft gegeven het bedrag over te boeken of enig geschrift te ondertekenen, en (iii) dat uit geen enkel schriftelijk stuk volgt dat zij het bedrag heeft geschonken, het hof heeft miskend dat omkering van de bewijslast slechts met terughoudendheid en onder bijzondere omstandigheden kan geschieden, althans niet valt in te zien hoe deze feiten en omstandigheden tot het oordeel kunnen leiden dat het in strijd met de redelijkheid en billijkheid zou zijn om het bewijsrisico op [verweerder] te laten rusten. Indien, gelet op de woorden “te meer daar”, de onder (i) t/m (iii) genoemde omstandigheden ten overvloede zijn genoemd, heeft het hof ten onrechte geen grond gegeven voor de omkering van de bewijslast, aldus het subonderdeel.
bewijslast” heeft het hof de desbetreffende grieven (4 en 6) samengevat en behandeld (rov. 17, 19). In het licht van het partijdebat in eerste aanleg, het oordeel van de rechtbank en de daartegen gerichte en door het hof vastgestelde grieven dient hetgeen het hof in rov. 26 van het bestreden eindarrest heeft overwogen mijns inziens aldus te worden begrepen dat het hof met toepassing van het bepaalde in de slotzin van art. 150 Rv Pro [eiser] heeft belast met de bewijslast van zijn stelling dat erflaatster aan [eiser] een schenking heeft verricht van € 643.497,-.
subonderdelen 1.1 en 1.2– die elk tot uitgangspunt nemen dat naar het oordeel van het hof de bewijslast op [verweerder] rust – mijns inziens gebaseerd zijn op een onjuiste lezing van het oordeel van het hof en derhalve falen wegens gemis aan feitelijke grondslag.
subonderdelen 1.3 en 1.4, die terecht tot uitgangpunt nemen dat het hof op de voet van art. 150 Rv Pro, slot, een andere bewijslastverdeling heeft toegepast, treffen naar mijn mening evenmin doel. Het oordeel van het hof geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de op de eisen van redelijkheid en billijkheid gegronde uitzonderingsbepaling van art. 150 Rv Pro en evenmin van de bij de toepassing daarvan in het algemeen te betrachten terughoudendheid. Het hof heeft voorts toereikend gemotiveerd vastgesteld welke omstandigheden tot zijn oordeel hebben geleid en voldoende inzicht gegeven in de gedachtegang die het daarbij heeft gevolgd. Ik licht dat als volgt toe.
Subonderdeel 2.1klaagt dat het hof in rov. 29 het bewijsaanbod in feite ten onrechte gepasseerd heeft op grond van een verboden prognose omtrent het resultaat van de bewijslevering. De
subonderdelen 2.2 en 2.3berusten op de lezing dat het hof het bewijsaanbod van [eiser] heeft gepasseerd als zijnde niet ter zake dienend respectievelijk onvoldoende gespecificeerd en klagen dat ’s hof oordeel in dat geval rechtens onjuist, althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd is.
[betrokkene 4] , de relatiebeheerder van [betrokkene 1] bij [B] N.V., die betrokken was bij het opstellen en uitvoeren van het ‘schenkingsplan’ van [betrokkene 1] .”In navolging van de rechtbank heeft het hof dit bewijsaanbod gepasseerd op de grond dat genoemd advies (schenkingsplan) dateert van 30 juli 2007 en “daarmee nog niets gezegd is over de eventuele wil van erflaatster om eind mei 2008 te schenken”. Ook het uit dat advies blijkende voornemen om [eiser] tot enig erfgenaam te benoemen “bewijst op zichzelf niet dat zij het saldo van de nummerrekening aan [eiser] wilde schenken”, aldus het hof. Deze overwegingen kunnen naar mijn mening niet anders worden begrepen dan dat het hof – in navolging van de rechtbank – het bewijsaanbod heeft aangemerkt als niet ter zake dienend.
subonderdelen 2.1 en 2.3, die uitgaan van verwerping op grond van een prognose omtrent het resultaat van de bewijslevering respectievelijk onvoldoende specificatie, falen bij gemis aan feitelijke grondslag.
(i)dat erflaatster het voornemen had al voor haar overlijden (vrijwel) haar hele vermogen weg te schenken (en daarbij [eiser] boven [verweerder] te bevoordelen) en
(ii)dat de schenking van het Zwitsers vermogen aan [eiser] paste in dat voornemen.
“betrokken was bij het opstellen en uitvoeren van het ‘schenkingsplan’”in verbinding met de aangehaalde vindplaatsen aldus moet worden opgevat dat de getuige kan verklaren omtrent de in 2007 ten overstaan van haar adviseurs geuite schenkingsbedoelingen van erflaatster en het begin van uitvoering van het schenkingsplan (het in het middel genoemde probandum (i)). Ten aanzien van het beweerdelijke “passen” van de vermeende schenking op 30 mei 2008 in het voornemen om het vermogen bij leven te schenken (het in het middel genoemde probandum (ii)) ligt het minder voor de hand om dit tot de inhoud van het bewijsaanbod te (moeten) rekenen, nu het daarbij vooral lijkt te gaan om een gevolgtrekking c.q. stelling van [eiser] zelf (CvA nr. 6.13, slot). [28]
“Ik ben vervolgens naar Zwitserland gereden en ik heb het geld van de Zwitserse rekening over laten maken naar twee andere rekeningen in Zwitserland. Beide op naam van mijn vrouw en mij. Dit overmaken ging zonder enig probleem nadat ik mijn volmacht had getoond. Ik wijs erop dat niet alleen ik over een volmacht beschikte maar ook mijn zoon. Voor het overlijden van mijn moeder wist ik niet dat [verweerder] over een volmacht beschikte. Nadat mijn moeder overleden was in september 2008 heb ik in oktober 2008 een telefoongesprek gehad met [verweerder] . Ik heb toen niet over de Zwitserse bankrekening willen spreken. Het kan zelfs zijn dat ik gezegd heb dat ik daar niets van af wist. Ik vond dat [verweerder] met de schenking niets te maken had;”. [eiser] beroept zich weliswaar op een schenking door zijn moeder, maar zoals hiervoor in r.o. 26 al is overwogen, is van een schenking niet gebleken. Onder deze omstandigheden had [eiser] direct melding moeten maken aan [verweerder] van de door hem gestelde “schenking” hetgeen hij niet heeft gedaan. Bijna een jaar later meldt hij de “schenking”, waardoor de omvang van de nalatenschap in zijn ogen minder bedroeg dan die volgens [verweerder] zou moeten zijn. Daarmee staat vast dat [eiser] op enig moment heeft geprobeerd een goed opzettelijk buiten de verdeling te houden. Daaraan doet niet af dat het bestaan van de Zwitserse rekening bekend was aan [verweerder] , hoewel hij niet op de hoogte was van de omvang daarvan. Dat [eiser] later tot inkeer is gekomen en de vordering heeft gemeld aan [verweerder] doet de sanctie niet vervallen; het gaat er immers om dat hij geprobeerd heeft op enig moment de vordering buiten de verdeling te houden. De handelwijze van [eiser] in deze vindt het hof onrechtmatig en alle gevolgen daarvan dienen voor rekening en risico te komen van [eiser] .
behoordete weten dat het goed tot de nalatenschap behoorde.
wistdat de betreffende goederen tot de gemeenschap behoorden. [35]
wistdat tot de boedel een vordering uit onverschuldigde betaling jegens hemzelf behoorde.
gebleken” is niet kan leiden of bijdragen tot het oordeel dat [eiser] ook daadwerkelijk wist dat tot de boedel behoorde een vordering uit onverschuldigde betaling ten belope van € 643.497 en daarmee dat van opzettelijk verzwijgen of verborgen houden van zojuist bedoelde vordering sprake was. Daartoe is volgens het subonderdeel vereist dat, na eventuele bewijslevering ter zake door [verweerder] ,
vastis komen te staan dat van schenking
geensprake is geweest. Voor het intreden van de sanctie van art. 3:194 lid 2 BW Pro is volgens het subonderdeel alleen dan plaats, wanneer
uitgeslotenis dat de litigieuze overboeking ten titel van schenking heeft plaatsgevonden.
b), had het hof, in cassatie tevergeefs bestreden, [eiser] belast met het bewijs van de door hem gestelde schenking en vervolgens geoordeeld dat dit bewijs niet geleverd was (rov. 26). De door de rechtbank uitgesproken verklaring voor recht sub
bwerd mitsdien bekrachtigd (dictum).
eersteplaats tegen het oordeel van het hof in rov. 30 dat het
alsnog meldenvan de vordering aan [verweerder]
de sanctie van art. 3:194 lid 2 niet Pro doet vervallen. Voor zover het hof van oordeel mocht zijn dat na verzwijging "op enig moment" nimmer 'herstel' mogelijk zou zijn, ongeacht de verdere omstandigheden van het geval, is dit oordeel rechtens onjuist. Voor zover het hof mocht hebben bedoeld te oordelen dat in het onderhavige, concrete geval een dergelijk 'herstel' niet mogelijk was, is dat oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, aldus [eiser] .
“ook voor de tijd dat de gemeenschap nog niet verdeeld is, hun medezeggenschap in het beheer en hun participatie in het gebruik en in de vruchten van de goederen verspeeld”behoren te hebben. [52] In verband met de ratio van art. 3:194 lid 2 BW Pro verbeurt mijns inziens de deelgenoot die opzettelijk een tot de gemeenschap behorend goed verzwijgt, zoekmaakt of verborgen houdt, zijn aandeel op het moment dat er sprake is van het opzettelijk verzwijgen, zoek maken of verborgen houden, ook indien dit plaats vindt voor de verdeling of de boedelbeschrijving.
ten tweedemet een rechts- en motiveringsklacht op tegen het oordeel in rov. 30 dat de bekendheid van [verweerder] met het bestaan van de Zwitserse rekening niet afdoet aan het oordeel dat sprake is van opzettelijke verzwijging van de vordering uit onverschuldigde betaling in de zin van art. 3:194 lid 2 BW Pro.
d(vierde bulletpoint).
Subonderdeel 4.2betoogt dat het oordeel van het hof opzet, systeem en strekking van de wettelijke regeling omtrent (de vereffening en verdeling van) nalatenschappen (en gemeenschappen in algemene zin) miskent.
Subonderdeel 4.3strekt tot betoog dat – voor zover aangenomen zou moeten worden dat de IB/VB en/of erfbelastingschulden niet te beschouwen zijn als schulden van de nalatenschap – 's hofs oordeel evenzeer blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.
Subonderdeel 4.4stelt dat ’s hofs oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans zijn oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd is, nu tussen partijen in confesso is, dat terecht gebruik is gemaakt van de zogenaamde inkeerregeling, zodat de met inachtneming van deze regeling vastgestelde IB/VB-schuld hoe dan ook te beschouwen is als een schuld van de nalatenschap.
Subonderdeel 4.5voert aan, tot slot, dat de toegewezen verklaring voor recht, voor zover inhoudende dat [eiser] wettelijk rente aan [verweerder] dient te voldoen over een bedrag nader op te maken bij staat, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het hier geen rechterlijke veroordeling tot schadevergoeding betreft.
€ 643.497,- aan te merken als een schenking aan hem, komt voor zijn rekening en risico nu de aanslag een gevolg is van zijn eigen onrechtmatige handelwijze.
diegrond [eiser] op het door hem verbeurde aandeel in de vordering uit onverschuldigde betaling niet in mindering zou mogen brengen (een aan zijn erfdeel evenredig gedeelte van) de door [eiser] betaalde IB/VB en erfbelasting.
GRIEF C
netto saldovan de nummerrekening wettelijke rente dient te voldoen. Vervolgens heeft dit ten onrechte geleid tot verklaring voor recht zoals opgenomen in randnummer 5.3 van het vonnis.
zijn deel van de verkrijgingte dragen successierechten en kosten voor de inkeerregeling. Deze kosten dienen nader te worden opgemaakt bij staat.
Verbeuren van Bruto-saldo
zijnverkrijging.
heleaandeel van [eiser] . Concreet gezien houdt dit in dat [eiser] de successierechten moet dragen over de verkrijging van zijn aandeel krachtens erfrecht ook ondanks het feit dat hij dat aandeel verbeurt aan [verweerder] . [verweerder] dient dan ook een
Bruto-saldote krijgen en hoeft slechts successierechten te betalen over de helft die hij zelf verkrijgt krachtens erfrecht. Nu artikel 3:194 lid 2 BW Pro een strafsanctie betreft en het juist de bedoeling van dit artikel is de deelgenoot te straffen die de andere deelgenoot bedrogen heeft, kan dan ook aan een toets van redelijkheid en billijkheid niet worden toegekomen. Het ontnemen van de lusten brengt vanwege de strafsanctie inderdaad mee dat de lasten bij [eiser] dienen te blijven nu deze lasten immers op grond van de verkrijging krachtens erfrecht zijn opgelegd en hij het op grond van boek 3 kwijtraakt. (…) "
schenkingsrecht [61] -een gevolg is van zijn eigen onrechtmatige handelwijze. [verweerder] heeft evenmin gesteld dat de door [eiser]
de factobetaalde belastingen en kosten geen betrekking hebben op de vordering op [eiser] uit hoofde van onverschuldigde betaling, en dat op die grond op het (verbeurde) aandeel van [eiser] in die vordering niet de door [eiser]
de factobetaalde belastingen en kosten in mindering mogen worden gebracht.
Subonderdeel 5.2betoogt dat – voor zover het hof bedoeld heeft tot uitdrukking te brengen dat niet dezelfde rechtsbetrekking in geschil was – 's hofs oordeel rechtens onjuist, althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd is: in beide gevallen ging het immers om de vraag of sprake is geweest van een schenking.
Subonderdeel 5.3klaagt dat – voor zover het hof bedoeld heeft tot uitdrukking te brengen dat de rechtsbetrekking in geschil zich niet tussen dezelfde partijen afspeelde – 's hofs oordeel rechtens onjuist, althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd is.
Subonderdeel 5.4voert tot slot aan dat ’s hofs oordeel ontoelaatbaar onduidelijk is, aangezien zonder nadere motivering niet valt in te zien waarom "hetgeen [eiser] heeft gesteld onder grief 3 ten aanzien van het in kracht van gewijsde gaan van de beschikking van de kantonrechter" niet relevant zou zijn voor 's hofs oordeel.
Beoordeling