Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.
tweede middelbehelst de klacht dat de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel ontoereikend is gemotiveerd, omdat deze niet berust op de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen.
derde middelbehelst de klacht dat het hof in zijn schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel verondersteld voordeel heeft betrokken uit feiten waarvan de betrokkene is vrijgesproken.
- het op of omstreeks 21 januari 2004 te Heerde, 21 maart 2005 te Apeldoorn en 16 november 2005 te Kessenich (België) tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk zich ontdoen van afvalstoffen door deze buiten een inrichting te storten;
- het in de periode van 1 januari 2004 tot en met 29 november 2005 te Heerlen, Voerendaal, Nederweert-Eind, Hoensbroek, Heerde, Apeldoorn, Schakkebroek, Veldwezelt, Kessenich en Sonsbeck deelnemen aan een organisatie, bestaande uit verdachte, [betrokkene 2] , [betrokkene 5] en [betrokkene 1] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk: