Betrokkene werd door het hof veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 552.700 aan de Staat wegens het wederrechtelijk verkregen voordeel uit logistieke activiteiten ten behoeve van een criminele organisatie die synthetische drugs produceerde. Het hof baseerde zijn oordeel op een uitgebreid dossier met bewijsmiddelen, waaronder inkoop- en verkoopnotities van chemicaliën en getuigenverklaringen. De verdediging voerde aan dat betrokkene niet verantwoordelijk was voor de logistiek en dat derden als tussenpersonen betrokken waren, maar het hof verwierp deze stellingen wegens gebrek aan bewijs.
In cassatie werden drie middelen voorgesteld. De Hoge Raad verwierp de eerste twee middelen die de motivering van het hof over de toerekening en de hoogte van het voordeel betwistten. Het hof had voldoende aannemelijk gemaakt dat betrokkene het voordeel uit de in- en verkoop van chemicaliën daadwerkelijk had genoten en dat de berekening op basis van aangetroffen prijslijsten en bewijsstukken begrijpelijk was. Het derde middel, gericht op overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase, werd gegrond verklaard.
De Hoge Raad vernietigde daarom het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de hoogte van de betalingsverplichting en mat deze naar beneden vanwege de termijnoverschrijding. Voor het overige werd het beroep verworpen. De uitspraak bevestigt dat logistieke ondersteuning aan een criminele organisatie kan leiden tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, ook bij medeplegen, en benadrukt het belang van tijdige procedurele afhandeling.