ECLI:NL:PHR:2016:1375
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtsgeldigheid van griffiersbetekening bij betekening aan rechtspersoon
In deze zaak staat centraal de vraag of de betekening van een appeldagvaarding aan een rechtspersoon rechtsgeldig heeft plaatsgevonden, specifiek met betrekking tot de griffiersbetekening conform art. 531 Sv Pro en art. 3 van Pro het Besluit van 17 oktober 2005. De dagvaarding kon niet persoonlijk worden uitgereikt op het vestigingsadres van de verdachte, waarna zij werd uitgereikt aan de (waarnemend) griffier van de rechtbank Amsterdam. Vervolgens werd een afschrift verzonden naar het vestigingsadres.
De klager stelde dat de griffiersbetekening niet rechtsgeldig was omdat de akte van uitreiking niet de vereiste aantekening bevatte zoals voorgeschreven in art. 3, tweede lid, van het Besluit. De Hoge Raad overweegt echter dat uit de akte blijkt dat het stuk daadwerkelijk aan de griffier is uitgereikt en door deze is ondertekend, waardoor de bijzondere wijze van griffiersbetekening zoals bedoeld in art. 3 van Pro het Besluit niet is toegepast. De ontbrekende aantekening is daarom niet relevant.
Verder wordt in cassatie voorbijgegaan aan stempels op stukken die een latere ontvangstdatum van de dagvaarding zouden aantonen, omdat niet vaststaat wanneer en door wie deze zijn geplaatst. Ook wordt geen klacht gegrond bevonden over het niet voorafgaand uitreiken aan een bestuurder van de rechtspersoon.
De Hoge Raad concludeert dat het middel faalt en dat geen gronden aanwezig zijn voor ambtshalve vernietiging van het bestreden arrest. Het cassatieberoep wordt verworpen. Hiermee wordt bevestigd dat verzending van een afschrift aan de griffie, na uitreiking aan de griffier, voldoet aan de wettelijke vereisten voor griffiersbetekening.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de griffiersbetekening wordt als rechtsgeldig bevestigd.