ECLI:NL:HR:2009:BG6154
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.P. Balkema
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geldigheid betekening dagvaarding ondanks ontbreken verzenddatum afschrift
In deze strafzaak stond centraal of de betekening van de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig was, ondanks het ontbreken van een datum van verzending van het afschrift van de dagvaarding aan de verdachte. De verdachte stelde dat de termijn van ten minste tien dagen tussen betekening en terechtzitting niet kon worden nagegaan, omdat volgens hem de verzending van het afschrift tot de betekening moest worden gerekend.
De Hoge Raad verwierp dit verweer en stelde dat de verzending van een afschrift van de dagvaarding, zoals voorgeschreven in art. 588, derde lid, onder c, Sv, geen onderdeel is van de betekening. De betekening wordt geacht te zijn voltooid met de uitreiking van de dagvaarding aan de griffier van de rechtbank.
De zaak betrof een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam, waarbij de dagvaarding in hoger beroep op 6 maart 2006 was aangeboden op het adres van de verdachte, maar niet kon worden uitgereikt. Uiteindelijk vond de uitreiking aan de griffier plaats op 27 april 2006. De Hoge Raad bevestigde dat de procedurele vereisten waren nageleefd en verwierp het beroep. Het arrest werd uitgesproken op 3 februari 2009 door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de geldigheid van de betekening van de dagvaarding in hoger beroep.