Conclusie
–F.R.W. van de Goot en B. Kubat
–heeft het hof vastgesteld dat het slachtoffer, dat eerst hoogstwaarschijnlijk buiten bewustzijn was, is komen te overlijden door een levensbedreigende bloedstuwing op grond van/verstikking door samendrukkend geweld op de hals en/of belemmering van de ademwegen door het afplakken van de mond en/of positionele asfyxie. Het hof is er van uitgegaan dat het op enig moment getapet zijn van de mond van het slachtoffer alsmede de positie waarin het slachtoffer heeft gelegen dan wel is achtergelaten, ademhalingsproblemen c.q. verstikking kunnen hebben veroorzaakt en een bijdrage kunnen hebben geleverd aan het intreden van de dood.
tweede middel, dat in drie klachten uiteenvalt. Ten eerste wordt geklaagd dat bij de bewezenverklaring van de gekwalificeerde doodslag als bedoeld in art. 288 Sr Pro het zogenaamde oorsprongsfeit diefstal met geweld niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. De tweede klacht houdt in dat het hof ten onrechte, althans op onjuiste gronden het medeplegen van doodslag heeft bewezenverklaard. De derde klacht luidt dat het hof ten onrechte, althans op onjuiste gronden het opzet op doodslag bewezen heeft verklaard.
Drs. F.R.W. van de Goot verklaart - zakelijk weergegeven -:
Drs. Van de Goot merkt op - zakelijk weergegeven -:
Drs. Van de Goot verklaart - zakelijk weergegeven -:
Dr. B. Kubat geeft aan voorgaande te onderschrijven.
Onderzoek sporen plaats delict:
Onderzoek en veiligstellen sporen op slachtoffer:
Diefstal
NJ2005/202.
Medeplegen
NJ2015/390 m.nt. Mevis en de tot aanvulling daarvan strekkende arresten van (onder meer) HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:713 en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316 dient voor de kwalificatie medeplegen sprake te zijn van een voldoende bewuste en nauwe samenwerking waarbij de – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht moet zijn. Het medeplegen kan bestaan uit (een combinatie van) een gezamenlijke uitvoering van het strafbare feit, of uit verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het feit.
Overwegingen van het hof
een levensbedreigende bloedstuwing op grond van/verstikking door samendrukkend geweld op de hals en/of belemmering van de ademwegen door het afplakken van de mond en/of positionele asfyxie.Het hof gaat er op basis van de uitleg en conclusie van deskundige Van de Goot van uit dat een hartritmestoornis bij de dood van [slachtoffer] geen zelfstandige rol van betekenis heeft gespeeld.
NJ2003/552 m.nt. Buruma (HIV-I) [3] , worden vooropgesteld. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals het ander van een leven beroven – is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Er is geen grond de inhoud van het begrip “aanmerkelijke kans” afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Uit de enkele omstandigheid dat die wetenschap bij de verdachte aanwezig is dan wel bij hem moet worden verondersteld, kan niet zonder meer volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat in geval van die wetenschap ook sprake kan zijn van bewuste schuld. Van degene die weet heeft van de aanmerkelijke kans op het gevolg, maar die naar het oordeel van de rechter ervan is uitgegaan dat het gevolg niet zal intreden, kan wel worden gezegd dat hij met (grove) onachtzaamheid heeft gehandeld maar niet dat zijn opzet in voorwaardelijke vorm op dat gevolg gericht is geweest. Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van bewuste schuld dan wel van voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. [4]
eerste middelklaagt dat het hof voor het bewijs van “feit 2A” gebruik heeft gemaakt van een verklaring van [betrokkene 1] (bewijsmiddel 6) die een ongeoorloofde conclusie of gissing bevat.