AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Toepassing doorschuifregeling bij overgang terbeschikkingstelling naar ondernemingsvermogen
Belanghebbende stelde tot 2010 onroerende zaken ter beschikking aan de maatschap van haar echtgenoot, waarbij deze vermogensbestanddelen tot haar werkzaamheidsvermogen behoorden op grond van artikel 3.91 Wet IB 2001. Na toetreding tot een vennootschap onder firma (VOF) in 2010, waarin de onderneming van haar echtgenoot werd voortgezet, werden deze vermogensbestanddelen ondernemingsvermogen.
De Rechtbank oordeelde dat de doorschuifregeling van artikel 3.99 Wet IB 2001 ook van toepassing is op deze overgang, aangezien de terbeschikkingstelling kwalificeert als werkzaamheid en de overgang kan worden gezien als uitgroei tot een onderneming. De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak.
De Advocaat-Generaal concludeerde dat het begrip werkzaamheid in artikel 3.99 Wet IB 2001 dezelfde betekenis heeft als in artikel 3.91 en dat de overgang van terbeschikkingstelling naar ondernemingsvermogen kan worden beschouwd als uitgroei, omdat de activiteit behouden blijft en wordt uitgebreid door deelname in de VOF.
De Hoge Raad volgt deze redenering en verklaart het cassatieberoep van de Staatssecretaris ongegrond, waarmee wordt bevestigd dat de winst op de vermogensbestanddelen doorgeschoven kan worden naar de onderneming zonder directe belastingheffing over stille reserves.
De uitspraak benadrukt de ratio van de regeling, namelijk het stimuleren van ondernemerschap door het voorkomen van fiscale belemmeringen bij uitbreiding van werkzaamheden.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard, waarmee de toepassing van de doorschuifregeling van artikel 3.99 Wet IB 2001 wordt bevestigd.
Voetnoten
2.Besluit Staatssecretaris van Financiën 9 december 2011, nr. BLKB 2011/2061M. In dit onderdeel wordt goedgekeurd dat artikel 3.64 Wet IB 2001 (doorschuiving via te conserveren inkomen naar andere onderneming) ook kan worden toegepast in situaties waarin bedrijfsmiddelen bij de staking van een onderneming zijn onttrokken aan de ‘oude’ onderneming en vervolgens zijn ingebracht in een nieuwe onderneming.
3.Het begrip ‘ondernemer’ is gedefinieerd in artikel 3.4 Wet IB 2001, dat bepaalt: “In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder ondernemer: de belastingplichtige voor rekening van wie een onderneming wordt gedreven en die rechtstreeks wordt verbonden voor verbintenissen betreffende die onderneming.”
9.Thans artikel 3.98 Wet IB 2001.
12.Thans artikel 3.98 Wet IB 2001.
15.Thans artikel 3.95 Wet IB 2001 (bepaling van het resultaat).
16.Thans artikel 3.91, lid 1, onderdeel a, Wet IB 2001.
17.Thans artikel 3.92, lid 1, onderdeel a, Wet IB 2001.
18.Thans artikel 3.61 Wet IB 2001, die op grond van artikel 3.95, lid 1, Wet IB 2001 van overeenkomstige toepassing is verklaard op het resultaatsregime.
21.In deze conclusie opgenomen in onderdeel 4.20.
25.Vraag- en antwoordbesluit Staatssecretaris van Financiën van 29 april 2004, nr. CPP2003/2360M,
26.J.W.J. de Kort, ‘Belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden: het besluit van 29 april 2004, nr. CPP2003/2360M’,
27.Bedoeld zal zijn; 9 en 10.
28.Voetnoot in origineel: “Anders: de Redactie Vakstudie Nieuws acht dit resultaat wel juist omdat er geen sprake is van overgang van een werkzaamheid naar een onderneming bij dezelfde persoon.”
29.Voetnoot in origineel: “Vergelijk Redactie Vakstudie Nieuws,
31.De Commissie Terbeschikkingstellingsregeling,
32.A.C. Rijkers in
33.Voetnoot in origineel: “
34.Voetnoot in origineel: “Aangetekend zij dat de staatssecretaris in een eerder
35.C.G. Dijkstra in: R.E.C.M. Niessen (red.),
36.Voetnoot in origineel: “In 2010 gold ingevolge art. 3.99a een éénmalige inbrengfaciliteit in nv of bv; J.L van de Streek, ‘De wijzigingen in de tbs-regelingen vanaf 1 januari 2010,
37.H.P.A.M. van Arendonk, A.J.M. Arends, A.C.G.A.C. de Graaf & J.C.M. van Sonderen,
38.B.F. Schuver,
39.Boer en Van der Silk, NDFR-commentaar op artikel 3.99 Wet IB 2001 (Overgang werkzaamheid in onderneming).
40.M.L.M. van Kempen, ‘Voorgestelde wetgeving tbs-regeling gehuwden’,
42.Onderdeel 2.2 van de uitspraak van de Rechtbank in onderdeel 2.1 van deze conclusie.
43.Onderdeel 4.2.
44.Onderdeel 4.3.
45.De Rechtbank heeft in r.o. 2.3 (onderdeel 2.1) vastgesteld dat belanghebbende is toegetreden tot de VOF. Uit de stukken van het geding blijkt dat belanghebbende ter gelegenheid van deze toetreding het gebruik en genot van haar aandeel in de vermogensbestanddelen in de VOF heeft ingebracht (zie o.a. onderdeel 3.15 op blz. 2 van het verweerschrift van de Inspecteur bij de procedure voor de Rechtbank) en dat de pachtovereenkomst is voortgezet (zie r.o. 2.3 van de uitspraak van de Rechtbank). Voorts heeft de Rechtbank in r.o. 2.3 vastgesteld dat belanghebbendes aandeel in de vermogensbestanddelen bij de toetreding in de VOF is geëtiketteerd als ondernemingsvermogen. Nu belanghebbende slechts het gebruik en genot van het bestanddeel heeft ingebracht, is sprake van buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 9 mei 2003, nr. 37 549,
46.Onderdeel 4.4 en 4.6.
47.Onderdeel 4.5 en 4.6.
48.Onderdeel 4.7.
49.Zie onderdeel 4.8 en 4.9. Uit deze toelichting kan worden afgeleid dat een doorschuifregeling niet alleen gewenst is bij het uitbouwen of uitgroeien van werkzaamheden, maar ook bij het continueren van werkzaamheden.
50.Zie
51.Besluit Staatssecretaris van Financiën 9 december 2011, nr. BLKB 2011/2061M.