ECLI:NL:PHR:2016:1433

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 december 2016
Publicatiedatum
27 januari 2017
Zaaknummer
16/04851
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 Wet BopzArt. 47 Wet BopzArt. 48 Wet BopzArt. 49 Wet BopzArt. 8 lid 6 Wet Bopz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt afwijzing verzoek voorwaardelijk ontslag psychiatrisch ziekenhuis en verwijst terug

Betrokkene verbleef onvrijwillig in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van een machtiging en verzocht om ontslag, onderbouwd met een rapport van een door hem ingeschakelde psychiater. De geneesheer-directeur en rechtbank wezen het verzoek af vanwege aanwezige stoornis en gevaar.

De rechtbank wees ook het subsidiaire verzoek om een contra-expertise af, omdat volgens haar geen twijfel bestond over de geestesstoornis. Betrokkene stelde dat ook het gevaar en het oorzakelijk verband onderzocht moesten worden.

De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen contra-expertise is toegestaan over het gevaar en het verband met de stoornis. De zaak wordt vernietigd en terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.

De uitspraak benadrukt dat bij verzoeken om ontslag uit een psychiatrisch ziekenhuis alle relevante vragen, waaronder gevaar en oorzakelijk verband, door deskundigen onderzocht kunnen worden. De rechter moet een gemotiveerde beslissing nemen over het al dan niet toestaan van nader onderzoek.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de afwijzing van het ontslagverzoek en verwijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling met betrekking tot contra-expertise.

Conclusie

16/04851
Mr. F.F. Langemeijer
2 december 2016
Conclusie inzake:
[betrokkene]
tegen
Officier van Justitie Midden-Nederland
Het cassatieberoep is gericht tegen een afwijzende beslissing op een ontslagverzoek als bedoeld in art. 49 Wet Pro Bopz. Is een uitgebrachte
second opinionbij het oordeel betrokken? Is de rechtbank op deugdelijke gronden voorbijgegaan aan het verzoek om contra-expertise?

1.Feiten en procesverloop

1.1.
Verzoeker tot cassatie (geboren in 1986, hierna: betrokkene) verbleef ten tijde van het inleidend verzoek onvrijwillig in de Dr. Henri van der Hoeven-kliniek te Utrecht [1] , laatstelijk op grond van een op 27 januari 2016 verleende machtiging tot voortzetting van het verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis.
1.2.
Bij brief van 18 april 2016 heeft betrokkene aan de geneesheer-directeur van dat ziekenhuis verzocht hem uit het psychiatrisch ziekenhuis te ontslaan. Betrokkene heeft dit verzoek onderbouwd met de daarbij gevoegde, op zijn verzoek door psychiater [de psychiater] op 11 april 2016 uitgebrachte
second opinion.
1.3.
Op 25 april 2016 heeft de geneesheer-directeur het ontslagverzoek afgewezen. De geneesheer-directeur heeft daarbij aangegeven dat zij in het gesprek met betrokkene en de patiënten-vertrouwenspersoon tot de conclusie is gekomen dat betrokkene geen wens tot ontslag heeft, maar een wens om te kunnen resocialiseren vanuit de KIB Utrecht, in plaats van vanuit de LIZ Amsterdam [2] . Een ontslag op korte termijn biedt volgens de geneesheer-directeur geen mogelijkheden tot het volgen van een resocialisatie-traject zoals betrokkene nodig heeft.
1.4.
Op 9 mei 2016 heeft betrokkene via zijn advocaat aan de officier van justitie in het parket Midden-Nederland verzocht een beslissing van die rechtbank over het ontslagverzoek uit te lokken [3] . Op 19 mei 2016 heeft de officier van justitie de rechtbank Midden-Nederland verzocht een beslissing te geven. Kennelijk is betrokkene nadien overgeplaatst naar een psychiatrisch ziekenhuis van Arkin in Amsterdam en heeft de officier van justitie op 13 juni 2016 alsnog de beslissing verzocht van de rechtbank Amsterdam.
1.5.
De rechtbank Amsterdam heeft het verzoek mondeling behandeld op 29 juni 2016, in aanwezigheid van betrokkene en zijn advocaat, een afdelingsassistent, een waarnemer van de behandelend psychiater en de plaatsvervangend geneesheer-directeur van het psychiatrisch ziekenhuis van Arkin. De advocaat heeft ter zitting primair verzocht om ontslag van betrokkene uit het ziekenhuis onder voorwaarden; subsidiair om een contra-expertise. Bij beschikking van diezelfde datum heeft de rechtbank zowel het verzoek om ontslag als het verzoek om voorwaardelijk ontslag afgewezen.
1.6.
Namens betrokkene is – tijdig – beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweer gevoerd.

2.Bespreking van het cassatiemiddel

2.1.
In de systematiek van de Wet Bopz is de bevoegdheid om te beslissen over een verzoek van een patiënt om ontslag uit het psychiatrisch ziekenhuis gelegd in handen van de geneesheer-directeur. De geneesheer-directeur beslist met inachtneming van het bepaalde in art. 47 (voorwaardelijk ontslag) of art. 48 (onvoorwaardelijk ontslag). Naast de formele redenen voor ontslag uit het ziekenhuis, opgesomd in art. 48 lid 1 onder Pro b, zijn de materiële gronden voor een ontslag omschreven in art. 48, lid 1 onder a:
“(zodra) de betrokkene niet of niet langer in zijn geestvermogens gestoord of gevaarlijk is dan wel het gevaar door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend”.
Indien de patiënt nog wel lijdt aan een stoornis van de geestvermogens, maar de daaruit voortvloeiende gevaarlijkheid zover is verminderd dat het verlenen van ontslag uit het psychiatrisch ziekenhuis onder daaraan te verbinden voorwaarden verantwoord is, verleent de geneesheer-directeur hem, voor zover dit in het belang van de patiënt gewenst is, voorwaardelijk ontslag (art. 47). Met betrekking tot deze voorwaarden is art. 45 Wet Pro Bopz van overeenkomstige toepassing.
2.2.
In het inleidende verzoek wordt gesteld dat de aanvankelijke diagnose (schizofrenie) onjuist is bevonden; de stoornis zou in de kliniek later zijn geclassificeerd als een ‘persoonlijkheidsstoornis door het gebruik van middelen’. Volgens betrokkene is, na een verblijf binnen de gesloten GGZ de afgelopen acht jaar, bij hem geen sprake meer van een verslaving. Betrokkene wenst een traject waarbij een resocialisatie binnen korte tijd mogelijk wordt gemaakt, zo nodig onder het stellen van voorwaarden. De kliniek is volgens betrokkene echter van plan hem over te plaatsen naar een afdeling voor langdurig intensieve zorg. Ter zitting heeft betrokkene medegedeeld dat hij graag een voorwaardelijke machtiging wil: hij wil verder met zijn resocialisatie en wil laten zien dat hij geen middelen meer gebruikt [4] .
2.3.
De rechtbank is van oordeel dat er geen aanwijzingen zijn dat de situatie van betrokkene zozeer verbeterd is dat hem voorwaardelijk ontslag kan worden verleend. Gelet op de mededelingen van de geneesheer-directeur (van Arkin), de afdelingsassistent en de psychiater ter zitting, is de rechtbank van oordeel dat de stoornis en het gevaar nog aanwezig zijn. Volgens de rechtbank is het nog te vroeg om betrokkene met ontslag te laten gaan: de rechtbank acht van belang dat zorgvuldig wordt gekeken naar de resocialisatie, mede gelet op de verschillende vastgelopen resocialisatiepogingen.
2.4.
Onderdeel 1is gericht tegen dit oordeel. Het klaagt dat de rechtbank, in strijd met haar verplichting daartoe, onvoldoende kenbare aandacht heeft besteed aan de aanbeveling van de door betrokkene ingeschakelde psychiater [de psychiater], zodat de beslissing onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd is.
2.5.
Het verwijt dat de beslissing onbegrijpelijk is gaat in elk geval niet op, nu de rechtbank ter verklaring van haar beslissing verwijst naar hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, in het bijzonder naar de door de rechtbank op blz. 2 samengevatte mededelingen van de geneesheer-directeur, de afdelingsassistent en de psychiater. Dat de rechtbank voornamelijk gebruik heeft gemaakt van deze verklaringen, is geenszins onbegrijpelijk, gezien de periode die inmiddels was verstreken na de afwijzende beslissing van de geneesheer-directeur in Utrecht. De Hoge Raad overwoog in zijn beschikking van 19 december 2003:
“Wordt het verzoek aan de rechter voorgelegd, dan ligt dus niet de beslissing van de geneesheer-directeur ter toetsing voor, maar gaat het om de, in volle omvang te onderzoeken, vraag of, beoordeeld naar de ten tijde van de beslissing van de rechter geldende omstandigheden, de vrijheidsbeneming die een gedwongen opname in een psychiatrisch ziekenhuis met zich brengt, moet voortduren.” [5]
In 2006 heeft de Hoge Raad beslist dat dit ook geldt voor de beoordeling van een verzoek om voorwaardelijk ontslag te verlenen [6] . De rechter neemt bij de beoordeling ook de actuele toestand in aanmerking. Dat de stoornis en het gevaar nog steeds aanwezig zijn, is tijdens de zitting onderscheidenlijk door de geneesheer-directeur, de psychiater en de afdelingsassistent bevestigd.
2.6.
Het middel noemt geen rechtsregel die de rechtbank verplichtte om nader in te gaan op het rapport van [de psychiater]. Hoe dan ook, diens rapport van 11 april 2016 mondt uit in de aanbeveling om de komende tijd nader te bekijken of betrokkene kan toewerken naar resocialisatie/re-integratie en de RM [rechterlijke machtiging] voorwaardelijk kan worden. In de beschikking heeft de rechtbank aan die aanbeveling gevolg gegeven en is onderzocht of het mogelijk is, in het kader van voorwaardelijk ontslag op de voet van art. 47 Wet Pro Bopz toe te werken naar resocialisatie. Het middelonderdeel faalt.
2.7.
Onderdeel 2heeft betrekking op het (subsidiair door de advocaat gedane) verzoek om een contra-expertise. De rechtbank heeft dat verzoek niet ingewilligd en overwoog daartoe:
“Een contra-expertise is bedoeld wanneer twijfel kan bestaan over de aanwezigheid van een geestesstoornis. De rechtbank is van oordeel dat daar in dit geval geen sprake van is. De bij betrokkene reeds jaren geleden vastgestelde geestesstoornis wordt door de ter zitting aanwezige geneesheer-directeur, psychiater en afdelingsassistent, onafhankelijk van elkaar, bevestigd.”
De klacht
onder ahoudt in dat de rechtbank, in deze overweging, art. 48, lid 1 onder a, Wet Bopz heeft miskend. Een contra-expertise kan immers ook betrekking hebben op het al dan niet bestaan van het vereiste gevaar en op het al of niet aanwezige oorzakelijk verband tussen de geestesstoornis en het ernstige gevaar.
2.8.
Vooropgesteld: het woord ‘contra-expertise’ komt als zodanig niet voor in de Wet Bopz. Art. 8 lid 6 Wet Pro Bopz, dat ingevolge art. 49 lid 9 Wet Pro Bopz hier toepasselijk is, houdt het volgende in:
‘De rechter kan onderzoek door deskundigen bevelen en is bevoegd deze deskundigen alsmede getuigen op te roepen. De rechter roept de door de betrokkene opgegeven deskundigen en getuigen op, tenzij hij van oordeel is dat door het achterwege blijven daarvan de betrokkene redelijkerwijs niet in zijn belangen kan zijn geschaad. Indien hij een opgegeven deskundige of getuige niet heeft opgeroepen vermeldt hij de reden daarvan in de beschikking.’
De hierbij aan te leggen maatstaf in machtigingsprocedures is te kennen uit de beschikking van de Hoge Raad van 29 april 2005:
“De rechter is derhalve overeenkomstig de algemene regels in de verzoekschriftprocedure vrij een verzoek tot het verrichten van een nader onderzoek af te wijzen. Niettemin moet, gelet op de ingrijpende aard van de door de rechter te nemen, tot vrijheidsbeneming leidende beslissing worden aangenomen dat een verzoek tot het verrichten van een nader onderzoek door een deskundige slechts gemotiveerd kan worden afgewezen. De eisen die aan die motivering moeten worden gesteld, hangen af van de omstandigheden van het geval, waarbij met name van belang is op welke punten het verzochte nadere onderzoek zich volgens de betrokkene zou moeten richten, en de mate waarin de rechter uit de bij het verzoek tot het verlenen van de machtiging overgelegde geneeskundige verklaring en de overige stukken reeds duidelijkheid heeft verkregen omtrent de door hem te beslissen punten." [7]
2.9.
Het onderzoek door een door de rechter aan te wijzen deskundige kan betrekking hebben op alle vragen die voor de door de rechter te nemen beslissing van belang zijn. Indien een verzoek om ontslag uit het psychiatrisch ziekenhuis (al dan niet onder voorwaarden) aan de orde is, kunnen dus alle in alinea 2.1 hiervoor genoemde vragen voorwerp zijn van een onderzoek door deskundigen die door de rechter worden benoemd (contra-expertise). Voor zover de rechtbank van oordeel is dat het onderzoek door een door de rechter aan te wijzen deskundige geen betrekking zou
kunnenhebben op de vraag of de aanwezige stoornis van de geestvermogens betrokkene nog steeds gevaar doet veroorzaken [8] , acht ik onderdeel 2.a gegrond.
2.10.
De klacht
onder bhoudt in dat de afwijzing van het verzoek om een contra-expertise ook overigens niet toereikend is gemotiveerd, want:
- de rechtbank had de aanbeveling van [de psychiater] in haar overwegingen dienen te betrekken;
- de rechtbank heeft haar opvatting dat ook ter zake van het gevaar en het oorzakelijk verband (tussen de stoornis en het gevaar) geen contra-expertise nodig is, op geen enkele wijze gemotiveerd;
- in verband met dit laatste: uit niets blijkt dat de advocaat de reden voor het verzoek om een contra-expertise heeft beperkt tot de vraag naar de aanwezigheid van een stoornis van de geestvermogens.
2.11.
Aan het eerste gedeelte van deze motiveringsklacht ga ik voorbij, op de gronden als vermeld in alinea 2.6 hiervoor. Wat betreft de beide andere klachten, lijkt de rechtbank een beetje op het verkeerde been te zijn gezet doordat het debat in eerste aanleg niet is gevoerd aan de hand van de in art. 47, 48 en 49 Wet Bopz vermelde vereisten voor een ontslag of ontslag onder voorwaarden. Het debat is gevoerd aan de hand van de therapeutische mogelijkheden voor resocialisatie op korte of lange termijn. In de brief van 18 april 2016 is nog sprake van “ernstige twijfel aan de diagnose”. Naar aanleiding van de beschikking van de geneesheer-directeur in Utrecht verlegde de discussie zich naar de vraag wat betrokkene nu eigenlijk wenst. Blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling heeft de advocaat ontslag onder voorwaarden verzocht – hetgeen impliciet veronderstelt dat aan het vereiste van een geestelijke stoornis die de betrokken patiënt gevaar doet veroorzaken, is voldaan − en subsidiair gepleit voor “een contra-expertise vanuit Utrecht”, zonder te preciseren op welke (in art. 47, 48 of 49 Wet Bopz bedoelde) punten het verzochte nadere onderzoek zich volgens betrokkene zou moeten richten.
2.12.
De rechtbank spreekt van een “reeds jaren geleden vastgestelde geestesstoornis”, die door drie ter zitting aanwezigen werd bevestigd. Mogelijk heeft de rechtbank hierbij voor ogen gestaan hetgeen de Hoge Raad overwoog over de mate waarin de rechter uit de bij het verzoek tot het verlenen van de machtiging overgelegde geneeskundige verklaring en de overige stukken reeds duidelijkheid heeft verkregen omtrent de door hem te beslissen punten. De weigering van het verzoek om een contra-expertise is hiermee niet genoegzaam verklaard. In de bestreden beschikking blijft in ieder geval onverklaard waarom geen contra-expertise is toegestaan ten aanzien van de vraag of de daaruit voortvloeiende gevaarlijkheid zo ver is verminderd dat het verlenen van ontslag uit het psychiatrisch ziekenhuis onder daaraan te verbinden voorwaarden verantwoord is. Onderdeel 2 acht ik daarom gegrond.

3.Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank Amsterdam.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
plv.

Voetnoten

1.Deze kliniek wordt geëxploiteerd door Stichting De Forensische Zorgspecialisten.
2.De afkorting KIB staat, naar ik begrijp, voor kortdurende intensieve behandeling; de afkorting LIZ voor langdurige intensieve zorg.
3.Zie art. 49 lid 3 Wet Pro Bopz.
4.Zie beschikking rechtbank, blz. 2. Blijkens de overgelegde stukken is aan betrokkene een TBS opgelegd, die later is gevolgd door een onvrijwillige opname en voortgezet verblijf in het psychiatrisch ziekenhuis; vandaar het gebruik van de term ‘resocialisatie’.
5.HR 19 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN7550, NJ 2005/128, BJ 2004/3 m.nt. W. Dijkers en H.E. Bröring.
6.HR 31 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0056, NJ 2006/231, BJ 2006/24.
7.Vaste rechtspraak sinds HR 29 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5978, NJ 2007/153 m.nt. J. Legemaate, rov. 3.3.1.
8.Onderscheidenlijk – voor zover ontslag onder voorwaarden aan de orde is –: de vraag of de uit de stoornis van de geestvermogens voortvloeiende gevaarlijkheid zo ver is verminderd dat het verlenen van ontslag uit het psychiatrisch ziekenhuis onder daaraan te verbinden voorwaarden verantwoord is.