Conclusie
middelricht zich tegen de bewezenverklaring van feit 3.
middelfaalt.
door de advocaat-generaal ingediende middelklaagt dat het hof ten onrechte de vordering tot verbeurdverklaring van een geldbedrag van € 2.127.117,70 heeft afgewezen.
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of een geldbedrag van € 2.127.117,70, waarop conservatoir beslag was gelegd, verbeurd verklaard kon worden. Het hof had de vordering tot verbeurdverklaring afgewezen omdat het beslag geen strafvorderlijk beslag betrof, maar conservatoir beslag op grond van art. 94a Sv.
De verdachte was veroordeeld voor gewoontewitwassen, waarbij diverse dure goederen waren betrokken die deels met illegaal en deels met legaal inkomen waren aangeschaft. Het hof oordeelde dat het legale inkomen onvoldoende was om de waarde van de goederen te verklaren en verwierp de stellingen van de verdachte over legale inkomsten. De Hoge Raad bevestigde dat ook vermogensbestanddelen die gedeeltelijk of middellijk van misdrijf afkomstig zijn, onder de witwasbepalingen vallen.
De Hoge Raad herhaalde dat conservatoir beslag ex art. 94a Sv niet verhindert dat een voorwerp verbeurd wordt verklaard. De eerdere afwijzing van de vordering tot verbeurdverklaring door het hof berustte op een onjuiste rechtsopvatting. De zaak wordt terugverwezen naar het hof voor hernieuwde berechting van de strafoplegging en beslissingen omtrent de inbeslaggenomen voorwerpen.
De conclusie van de advocaat-generaal en de Hoge Raad benadrukken het belang van een effectieve bestrijding van witwassen, waarbij ook vermogensbestanddelen die deels legaal en deels illegaal zijn verkregen, kunnen worden getroffen. De Hoge Raad stelt grenzen aan de toepassing van witwasbepalingen om onevenredige belemmering van normaal handelsverkeer te voorkomen, maar bevestigt het ruime toepassingsbereik van deze bepalingen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest voor zover het de verbeurdverklaring betreft en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting.