ECLI:NL:PHR:2016:146
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek toelating schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw
De rechtbank Rotterdam wees het verzoek van verzoekster tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af wegens onvoldoende bewijs van goede trouw bij het ontstaan en onbetaald laten van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek. Het gerechtshof Den Haag bekrachtigde dit oordeel en stelde dat ook het bestaan van één schuld die niet te goeder trouw is ontstaan, voldoende is om het verzoek af te wijzen.
Verzoekster kwam in cassatie met het argument dat het hof ten onrechte niet had beoordeeld of zij ondanks het ontbreken van goede trouw toch tot de regeling zou moeten worden toegelaten op grond van de hardheidsclausule. De Hoge Raad oordeelde dat dit een discretionaire bevoegdheid van de rechter is en dat verzoekster geen beroep op deze clausule had gedaan, zodat het hof niet verplicht was hierover te oordelen.
De Hoge Raad concludeerde dat het hof zijn oordeel voldoende had gemotiveerd en dat verzoekster onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij te goeder trouw was, onder meer vanwege omvangrijke telefoonschulden en boetes die niet te goeder trouw waren ontstaan. Het cassatiemiddel faalde, waarna de Hoge Raad toepassing gaf aan artikel 80a lid 1 RO en het cassatieberoep verwierp.
Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van goede trouw.