Het bestreden arrest luidt, voor zover relevant, als volgt:
“De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een veelvoud van zedendelicten van de meest ernstige soort. Hierbij waren meerdere jongens jonger dan 16 jaar en een jongen jonger dan 12 jaar betrokken, terwijl de handelingen bij drie van deze jongens mede inhielden het seksueel binnendringen van het lichaam, een en ander op de bewezen verklaarde wijze. Deze feiten hebben zich gedurende een lange periode – van ongeveer 7 jaar – afgespeeld.
De verdachte heeft vergaande inbreuken gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van de nog jonge slachtoffers. De verdachte heeft het fysieke en psychisch welzijn van de slachtoffers ondergeschikt gemaakt aan de bevrediging van zijn eigen seksuele behoeften en een ernstige inbreuk gemaakt op hen ongestoorde (seksuele) ontwikkeling. Jonge slachtoffers van dergelijke feiten ondervinden in de regel nog geruime tijd de (psychische) gevolgen van hetgeen hun is aangedaan. Dit soort delicten veroorzaakt bovendien gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij, in het bijzonder bij ouders van jonge kinderen.
Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 23 september 2014, waaruit blijkt dat de verdachte reeds tweemaal eerder is veroordeel tot relatief langdurige gevangenisstraffen voor het plegen van soortgelijke feiten met kinderen. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.
(…)
De deskundigen Canton en Van Helvoirt concluderen dat er bij de verdachte sprake is van pedofilie, een autismespectrumstoornis en een ontwikkelingsstoornis NAO (Niet Anderszins Omschreven). Deze stoornissen waren ook ten tijde van het plegen van de tenlastegelegde feiten aanwezig. Geadviseerd wordt de verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.
Ter zake de kans op recidive overwegen de deskundigen dat van pedofilie bekend is dat dit leidt tot een verhoogd risico op nieuwe seksuele delicten met minderjarige slachtoffers. Het vastgestelde autisme ondermijnt de mogelijkheden om zich te verzetten tegen de drang om met minderjarigen over te gaan tot seksuele handelingen.
De deskundige Van der Reijken komt tot de conclusie dat er bij de verdachte sprake is van pedofilie, een autismespectrumstoornis en een persoonlijkheidsstoornis NAO. Ten tijde van het tenlastegelegde waren deze stoornissen aanwezig en hebben de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte daarbij beïnvloedt. De deskundige adviseert de verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.
Ten aanzien van de risicoprognose rapporteert zij dat de verdachte zeer moeilijk te behandelen is doordat hij zijn eigen eisen aan een behandeling stelt. Hierdoor - en mede gelet op de lange geschiedenis van seksueel misbruik van minderjarigen - meent de deskundige dat er op korte termijn een matig recidiverisico is, maar dat op lange termijn een hoog recidiverisico op pedoseksuele handelingen bestaat.
De deskundige De Groot stelt dat de verdachte aan ziekelijke stoornissen lijdt, zijnde pedofiele en een persoonlijkheidsstoornis NAO. Nu deze stoornissen ook bestonden ten tijde van het plegen van de tenlastegelegde feiten adviseert ook deze deskundige de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. Zowel de pedofilie als de persoonlijkheidsstoornis dragen ertoe bij dat de kans op recidive verhoogd is, zeker op lange termijn.
Alle voornoemde deskundigen adviseren aan de verdachte de maatregel ter beschikkingstelling op te leggen.
Het hof neemt de voornoemde conclusies in die zin over dat het hof aan zijn beslissing ten grondslag legt dat:
- bij de verdachte tijdens het begaan van het feit (en ook thans nog) een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, zijnde pedofilie, een autismespectrumstoornis en een persoonlijkheidsstoornis niet anders omschreven (NAO) bestond c.q. bestaat;
- de verdachte ter zake van de hem tenlastegelegde feiten verminderd toerekeningsvatbaar is te achten;
- er op korte termijn sprake is van een matig, en op lange termijn hoog, recidiverisico op pedoseksuele handelingen.
De bewezenverklaarde feiten (met uitzondering van het in de zaak met parketnummer 09-753068-11 onder 9 bewezen verklaarde feit) zijn alle misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Voorts is het hof, gezien het (hoge) recidiverisico, van oordeel dat de veiligheid van anderen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling eist.
Aan de wettelijke voorwaarden voor de oplegging van een maatregel ter beschikkingstelling is mitsdien naar het oordeel van het hof voldaan. Het hof is tevens van oordeel dat voormelde maatregel ook dient te worden gelast.
De vraag die thans voorligt is, of aan de verdachte een maatregel terbeschikkingstelling met voorwaarden dan wel een terbeschikkingstelling met dwangverpleging dient te worden opgelegd.
(…)
Door de deskundigen Van der Reijken en De Groot is geadviseerd de verdachte de maatregel ter beschikkingstelling met dwangverpleging op te leggen, nu een ambulante behandeling naar verwachting onmogelijk zal zijn. Er is in het verleden meerdere malen geprobeerd de verdachte ambulant te behandelen, hetgeen geen succes heeft gehad, en zijn gedrag tijdens recente klinische behandeling is dermate ontwrichtend geweest dat op meerdere plekken behandeling stopgezet moest worden.
De verdachte heeft vanaf 21 september 2012 middels een proefplaatsing verbleven in de Forensisch Psychiatrische Kliniek (FPK) te Assen. In februari 2013 is er aldaar een behandelpauze voor de duur van twee weken ingezet. De FPK merkt op dat op momenten waar het behandelinhoudelijk moeilijk voor betrokkene wordt, hij zich gaat vastbijten in juridische zaken, waardoor de behandeling inhoudelijk wordt belemmerd.
Blijkens een doorverwijzing van de FPK te Assen d.d. 24 december 2013 heeft de verdachte gedurende zijn proefperiode meerdere conflicten gehad, met zowel het personeel als medepatiënten. Op basis van de toenmalige ontwikkelingen heeft de FPK aangegeven terecht te zijn gekomen in een behandelimpasse.
Op 18 februari 2014 is de verdachte aangehouden en heeft hij enige tijd in detentie doorgebracht. Vanaf 1 april 2014 heeft hij in de FPK De Kijvelanden te Poortugaal verbleven. Op 28 mei 2014 is hij overgeplaatst naar de FPC Oostvaarderskliniek te Almere. Blijkens de zich in het dossier bevindende rapportages was er ook in deze laatste klinieken sprake van voortdurende conflicten tussen de verdachte en het personeel.
De reclassering heeft in zijn toezichtsrapportage d.d. 29 september 2014 aangegeven vanwege de opstelling van de verdachte het werken binnen een ambulant kader niet verantwoord te achten en geen mogelijkheden te zien om binnen een tbs met voorwaarden een gewenst traject samen te stellen en uit te voeren.
Het hof is met de raadsman van oordeel dat op en na 18 januari 2014 onvoldoende zorgvuldig met de verdachte is omgegaan, en dat het waarschijnlijk in niet onbelangrijke mate daaraan is te wijten dat vanaf die datum geen behandeltraject meer van de grond is gekomen. Anderzijds is het hof van oordeel dat de verdachte daarin ook een zeker eigen aandeel heeft gehad.
Blijkens diverse zich in het dossier bevindende rapportage(s) waren er bovendien ook reeds voor 18 februari 2014 moeilijkheden tussen de verdachte en behandelaars/toezichthouders. Veelvuldig wordt aangegeven dat de verdachte zijn eigen voorwaarden stelt aan zijn behandeling, hetgeen die behandeling zeer moeizaam dan wel onmogelijk maakt. Het hof acht aannemelijk dat verdachtes opstelling mede voortkomt uit de bij hem vastgestelde autismespectrum stoornis, zodat de verdachte daarvan wellicht geen of slechts beperkt een verwijt valt te maken. Dit laat echter onverlet dat deze opstelling ook binnen de professionele en gestructureerde klinieken waar de verdachte heeft verbleven herhaaldelijk tot (grote) problemen heeft geleid.
In dit kader acht het hof mede van belang dat de rapporteurs Canton en Van Helvoirt hebben aangegeven dat
"betrokkene vanuit zijn problematiek extreem veel duidelijkheid nodig heeft. Op het moment dat die er niet is, neemt de spanning toe en daarmee het delictgevaar."
Het ligt gezien het voorgaande naar het oordeel van het hof in de rede te verwachten dat de zich reeds veelvuldig voorgedane problemen tussen de verdachte enerzijds en behandelaars en toezichthouders anderzijds zich in een minder gestructureerde omgeving van een tbs met (vele) verschillende voorwaarden en meerdere bij de uitvoering van die voorwaarden betrokken personen eerder meer dan minder zullen gaan voordoen. Gegeven het hiervoor reeds door genoemde deskundigen aangeven verband tussen het als gevolg van onvoldoende duidelijkheid oplopen van spanning bij de verdachte en het toenemen van delictgevaar is het hof van oordeel dat het delictgevaar in een setting van tbs met voorwaarden als bepaald reëel moet worden beschouwd.
Het hof komt dan ook met de deskundigen Van der Reijken en De Groot, en in het verlengde van de Reclassering (als neergelegd in haar voortgangsverslag toezicht d.d. 29 september 2014) tot het oordeel dat door het stellen van voorwaarden binnen een verder ambulant traject het risico dat de verdachte soortgelijke, zeer ernstige misdrijven als waarvoor de verdachte thans wordt veroordeeld (en waarvoor hij al tweemaal eerder is veroordeeld) zal begaan niet tot verantwoorde grenzen zal kunnen worden teruggebracht.
Het hof zal derhalve gelasten dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en bevelen dat hij van overheidswege wordt verpleegd, nu de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen deze verpleging eist.”