Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
23 juni 2015.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin het verzoek tot gedeeltelijke behandeling van de zaak met gesloten deuren werd afgewezen. De raadsman van de verdachte had aangevoerd dat er nieuwe persoonlijke omstandigheden waren die niet publiekelijk bekend mochten worden, waaronder angst voor verspreiding van informatie binnen zijn sociale kring.
Het hof oordeelde dat de aangevoerde informatie onvoldoende was om af te wijken van de hoofdregel dat het onderzoek ter terechtzitting openbaar plaatsvindt. De verdachte had publiekelijk verklaard over zijn persoonlijke omstandigheden, maar dit rechtvaardigde volgens het hof geen gesloten zitting. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd.
De Hoge Raad benadrukt dat op grond van art. 269 Sv Pro het onderzoek in principe openbaar is, tenzij zwaarwegende belangen zoals eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer dit vereisen. In deze zaak was de motivering voor een uitzondering onvoldoende. Het beroep wordt daarom verworpen en het arrest van het hof bekrachtigd.
Uitkomst: Het verzoek tot gedeeltelijke behandeling met gesloten deuren wordt afgewezen wegens onvoldoende motivering.