Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2. Bespreking van de middelen
NJ2016/36). De Hoge Raad overwoog in dat arrest:
Het Reglement rekestzaken van de civiele kamer van de Hoge Raad der Nederlanden voorziet niet in de mogelijkheid van toezending per e-mail: art. 10.1 bepaalt dat processtukken per post of door middel van faxapparatuur kunnen worden ingediend. Dat niet wordt voorzien in de mogelijkheid processtukken per e-mail in te dienen is bovendien aan de advocaten bij de Hoge Raad bevestigd in een brief van de voorzitter van de civiele kamer van 26 juni 2014.
Anders dan de advocaat van T. in zijn reactie op de conclusie van de Advocaat-Generaal betoogt, is de toegang tot de Hoge Raad niet in het geding. Het cassatieberoep kan immers worden ingesteld door indiening van een cassatierekest door overhandiging ter griffie, per post of per fax, waarbij voor de laatste wijze van indiening geldt dat stukken die voor 24.00 van de laatste dag van een lopende termijn per fax zijn ingekomen, gelden als binnen de termijn ingediend (art. 10.3).
subonderdeel 1.2geklaagd dat rov. 3.4 van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, omdat het hof zou hebben miskend dat art. 33 lid 1 Rv Pro indiening van een beroepschrift per e-mail mogelijk maakt en in dit geval het toepasselijke procesreglement – te weten art. 3.1.4 in verbinding met art. 3.1.5 – hieraan in ieder geval niet in de weg staat.
NJ2015/209. [1] In die zaak was de memorie van grieven per fax bij het hof ingediend, terwijl het toepasselijke procesreglement indiening per fax uitsloot. Het hof had appellant niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad overwoog:
NJ1993/569 – en inmiddels ook sinds enkele jaren wettelijk, mogelijk was. Tegen de achtergrond van een van de doelstellingen van de Wet afschaffing procuraat en invoering elektronisch berichtenverkeer, welke doelstelling juist een verruiming van de mogelijkheden van elektronisch verkeer beoogde, moet daarom worden aangenomen dat de wetgever met de wijziging van art. 33 Rv Pro niet heeft willen afdoen aan de reeds jarenlang bestaande mogelijkheid processtukken per fax in te dienen.
3.1.4 Indiening van stukken en ontvangstbevestiging
{hyperlink benaming griffie en postadres}, of
hyperlink adres hof}.
{hyperlink benaming griffie en telefaxnummers}. Na indiening per fax worden de stukken per omgaande nagezonden per post of afgegeven aan de balie.
{hyperlink zaaksverdelingsreglementen}.
Indiening van stukken per e-mail is niet mogelijk.
{hyperlink telefoonnummers}.
{hyperlink e-mailadressen}. Uitsluitend indien het onmogelijk is deze aankondiging of dit bericht door middel van een V-formulier ter kennis van het hof te brengen, mag de aankondiging en het bericht per telefax aan het hof worden toegezonden. Ook het hof kan door middel van Rekestenjournaal aan partijen mededelingen doen.
NJ2016/36. Uit dat arrest blijkt immers, kort gezegd, dat art. 33 Rv Pro er niet aan in weg staat dat in een procesreglement indiening van een beroepschrift per fax wel en indiening per e-mail níet is toegestaan. Een verdere bespreking van de in het middelonderdeel genoemde omstandigheden kan daarom achterwege blijven. Overigens dateert het arrest van 18 december 2015 en dus van na het moment waarop partijen hun standpunt in cassatie schriftelijk hebben toegelicht, zodat zij daarmee geen rekening hebben kunnen houden.
subonderdeel 1.3wordt betoogd dat art. 33 Rv Pro aldus moet worden uitgelegd dat de daar neergelegde beperking van het elektronisch verkeer tot gevallen waarin daarin is voorzien in het procesreglement, niet geldt voor ‘e-mailverkeer via e-mailadressen van (medewerkers van) behandeld rechters en griffies van gerechten, althans niet in een geval als dit, dat wordt gekenmerkt door de in subonderdeel 1.5 genoemde omstandigheden’. Dergelijk e-mailverkeer moet op één lijn worden gesteld met faxverkeer. Art. 3.1.4 van het Procesreglement is in zoverre onverbindend. Dit geldt temeer nu het artikel de toegang tot de rechter beperkt en art. 3.1.5 berichtenverkeer via e-mail expliciet voorschrijft, aldus het subonderdeel.
Waaromdeze omstandigheden tot een dergelijke uitleg van art. 33 Rv Pro zouden moeten leiden, komt in het onderdeel niet goed uit de verf en valt ook niet zonder meer in te zien. Art. 33 Rv Pro geeft geen aanknopingspunten voor een dergelijke uitleg. Van een (uitzonderings)situatie zoals aan de orde in HR 17 april 2015 (zie bij punt 2.6) – te weten een al geruime tijd in de rechtspraak onverkort geaccepteerde wijze van indiening – is ook geen sprake. Relevant is nog dat art. 3.1.16 van het Procesreglement de rechter de mogelijkheid biedt om van het procesreglement af te wijken indien de specifieke omstandigheden van het geval daartoe aanleiding geven, zodat een belangenafweging in dat verband plaats kan vinden.
subonderdeel 1.4wordt opgekomen tegen het oordeel van het hof dat de e-mail van 16 september 2015 niet als rechtsgeldig beroepschrift kan worden aangemerkt, zodat sprake is van niet-ontvankelijkheid. Volgens het onderdeel is geen sprake van een uitdrukkelijk met nietigheid of niet-ontvankelijkheid bedreigd gebrek. Het materiële verschil tussen een per fax en een per e-mail ingediend stuk is gering, terwijl de hoven blijkens het Procesreglement in faillissementszaken zowel per fax als per e-mail communiceren. Art. 33 Rv Pro geeft niet de bevoegdheid om voorschriften op te nemen waarvan schending tot niet-ontvankelijkverklaring. In een geval als het onderhavige, dat wordt gekenmerkt door de in subonderdeel 1.5 genoemde omstandigheden (zie onder punt 2.14 van deze conclusie) is ook geen sprake van een zodanige schending van de goede procesorde, dat niet-ontvankelijkverklaring gerechtvaardigd is, aldus het subonderdeel.
Het hof komt op basis hiervan tot het oordeel dat de termijnoverschrijding van één dag niet verschoonbaar is en dat de overige door Suolla in dit kader aangevoerde omstandigheden dit niet anders maken.
Subonderdeel 2.2klaagt dat het oordeel van het hof in rov. 3.6 van een onjuiste rechtsopvatting getuigt althans ontoereikend is gemotiveerd. Volgens het subonderdeel moet in het onderhavige geval aan de termijnoverschrijding geen sanctie worden verbonden, zeker nu hiermee de toegang tot de rechter in dit concrete geval wordt beperkt zonder dat daarmee een legitiem en proportioneel doel wordt gediend. Hiertoe doet het onderdeel een beroep op de volgende ten overstaan van het hof ingenomen stellingen (zie p. 6 van het cassatieverzoekschrift, vindplaatsen van de stellingen in de procedure bij het hof staan daar in de voetnoten):
In de s.t. is van de zijde van Suolla in dit verband nog een beroep gedaan op het arrest van het EHRM van 28 juni 2005 in de zaak Zednik v. Tsjechië. [7] De vergelijking met de zaak die in dat arrest speelde gaat echter mank, omdat het in die zaak ging om de situatie waarin (noodzakelijke)
bijlagenontbraken en pas op de daaropvolgende dag bij de rechterlijke instantie zijn binnengekomen en niet om een heel beroepschrift dat te laat wordt ingediend.
Ad ii.De e-mail van de griffier van de rechtbank heeft Suolla pas bereikt
nadatde beroepstermijn al verstreken was, zodat deze e-mail voor de vraag of sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding geen rol van betekenis kan spelen.
Ad iv.Dat de toenmalige advocaat van Suolla op 16 september 2015 niet bereikbaar was ligt voorts – gelet op de omstandigheden van het geval – in de risicosfeer van Suolla. [8] Zij heeft immers zelf tot nagenoeg het laatste moment gewacht met het zoeken van contact met haar advocaat teneinde hem te verzoeken hoger beroep in te stellen. Daarmee wijkt het onderhavige geval ook af van de situatie zoals speelde in het in de s.t. van Suolla aangehaalde arrest van het EHRM
Sialkowska/Polen, [9] waar het de cassatieadvocaat was die pas op een te laat moment kenbaar maakte geen cassatie te willen instellen.