ECLI:NL:PHR:2016:203
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep tegen tussentijdse beëindiging wettelijke schuldsaneringsregeling
De zaak betreft een verzoekster die in november 2012 onder de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP) viel. In oktober 2015 heeft de rechtbank op verzoek van de bewindvoerder de regeling tussentijds beëindigd. Het hof ’s-Hertogenbosch heeft dit vonnis in hoger beroep bekrachtigd. Tegen dit arrest is cassatieberoep ingesteld.
De kern van het cassatieberoep is dat het hof ambtshalve had moeten onderzoeken of de tussentijdse beëindiging een schending van artikelen 3, 5 lid 1, 6 en 8 EVRM oplevert, omdat verzoekster hierdoor in een uitzichtloze financiële positie zou komen te verkeren zonder tussentijds beoordelingsmoment. De Hoge Raad oordeelt dat het hof niet verplicht was het EVRM ambtshalve toe te passen en dat de klacht gebaseerd is op een onjuiste rechtsopvatting.
Verder faalt de klacht dat het hof ten onrechte oordeelde dat verzoekster ernstige tekortkomingen had die tussentijdse beëindiging rechtvaardigen. De vaststaande tekortkomingen zijn voldoende gemotiveerd. Ook is de klacht over het tardief voldoen aan informatieverplichtingen onbegrijpelijk en faalt deze.
De conclusie van de Procureur-Generaal is dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk is op grond van artikel 80a RO, mede omdat het verzoekschrift te laat is ingediend binnen de cassatietermijn van acht dagen.
Uitkomst: Het cassatieberoep tegen de tussentijdse beëindiging van de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt niet-ontvankelijk verklaard.