ECLI:NL:PHR:2016:219

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 februari 2016
Publicatiedatum
12 april 2016
Zaaknummer
15/02264
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 94a SvArt. 103 lid 1 SvArt. 126b lid 1 SvArt. 116 lid 3 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging beschikking wegens onduidelijke beslaggrondslag in strafrechtelijk onderzoek witwassen

In deze zaak was een personenauto van een klager in beslag genomen in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar witwassen. De rechtbank verklaarde het beklag van de klager tegen het beslag gegrond en gelastte de teruggave van de auto, omdat het beslag volgens de rechtbank onrechtmatig was gelegd op basis van artikel 94a Sv. De officier van justitie stelde cassatieberoep in tegen deze beslissing.

De kern van het geschil betrof de juiste wettelijke grondslag van het beslag. De rechtbank had vastgesteld dat het beslag een conservatoir beslag ex artikel 94a Sv betrof, maar uit stukken van het geding bleek dat het beslag feitelijk was gelegd op grond van artikel 94 Sv Pro, dat betrekking heeft op beslag ten behoeve van het aantonen van wederrechtelijk verkregen voordeel. De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank niet volstaan mocht met de enkele vaststelling dat het beslag op grond van artikel 94a Sv was gelegd, maar dat zij de juridische grondslag van het beslag had moeten onderzoeken en haar oordeel daarover nader had moeten motiveren.

Het ontbreken van een deugdelijke motivering maakte de beslissing van de rechtbank ontoereikend. De Hoge Raad vernietigde daarom de bestreden beschikking en verwees de zaak terug of verwees naar de juiste instantie voor verdere behandeling. Hiermee wordt benadrukt dat bij beslaglegging in strafzaken de juiste wettelijke grondslag duidelijk moet worden vastgesteld en gemotiveerd, zeker wanneer de beslagene dit aan de orde stelt.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking wegens onvoldoende motivering over de juridische grondslag van het beslag en verwijst de zaak terug.

Conclusie

Nr. 15/02264 B
Mr. Harteveld
Zitting 9 februari 2016
Conclusie inzake:
[klager] [1]
1. De Rechtbank Oost-Brabant heeft bij beschikking van 16 maart 2015 het namens de klager ingediende beklag ex art. 552a Sv gegrond verklaard en daarbij de teruggave aan hem gelast van een personenauto, merk Mercedes Benz, type Glk 220 Cdi 4ma, met kenteken [AA-00-AA] .
2. Tegen deze beschikking is door de officier van justitie, mr. J.M. Kramer, cassatieberoep ingesteld.
3. De plaatsvervangend officier van justitie bij het parket Oost-Brabant, mr. M.E. de Meijer, heeft een middel van cassatie voorgesteld.
4.1. Het
middelricht zich tegen de gegrondverklaring van het beklag met de klacht - erop neerkomende - dat de Rechtbank ten onrechte heeft vastgesteld dat er sprake is van een conservatoir beslag ex art. 94a Sv.
4.2. Eerst een korte schets van de gang van zaken. Uit binnengekomen CIE informatie is gebleken dat de klager, die woonachtig is in Duitsland, aan zijn twee dochters ieder een Mercedes had gegeven, terwijl bij de belastingdienst in Nederland geen inkomens- en/of vermogensgegevens van de klager bekend waren. De personenauto’s zijn zeer kort na de aanschaf door de klager op naam gesteld van de vader van klager ( [betrokkene] ). De personenauto waar het in deze zaak om gaat (Mercedes Benz met kenteken [AA-00-AA] ) is op 3 november 2014 onder de klager inbeslaggenomen. De inbeslagneming heeft plaatsgevonden in het kader van een strafrechtelijk onderzoek tegen klager wegens - kort gezegd - witwassen. Op 8 januari 2015 is namens de klager een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv ingediend strekkende tot teruggave aan hem van de inbeslaggenomen auto.
4.3. Het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer houdt het volgende in:
“(…)
Klager:
Ik ben de eigenaar van deze auto.
(…)
Raadsman:
Jegens mijn cliënt is er geen enkele verdenking ter zake witwassen. Het is aan het openbaar ministerie om aan te geven waarop deze verdenking gebaseerd is. Aan de auto hoeft niets te worden onderzocht. Mijn cliënt heeft bij de politie aangegeven dat de personenauto van het merk Mercedes-Benz, voorzien [AEH: van het kenteken] [AA-00-AA] , aan hem toebehoort en deze auto heeft gekocht van geld afkomstig van een erfenis/verzekeringsuitkering. De vader van cliënt betaalt de verzekeringspremie ten behoeve van deze auto.
De raadsman legt ter zitting stukken over, welke stukken zullen worden gehecht aan dit proces-verbaal.
Het openbaar ministerie heeft geen enkele reden om het beslag te laten voortduren. Het openbaar ministerie had conservatoir beslag moeten leggen op deze auto. Financieel gezien is er geen noodzaak voor een onderzoek aan de auto. Ik ben dan ook van mening dat de auto aan cliënt dient te worden teruggegeven.
Officier van justitie:
Ik ben van mening dat het beslag gehandhaafd dient te blijven, gelet op de vermogenspositie van klager (geen beschikking over legale bronnen van geld) en het feit dat de auto direct na aankoop door klager op naam van [betrokkene] (1930) werd gezet. Het betreft in deze een auto waarvan de herkomst wordt verhuld, de verzekeringspremie wordt betaald door vader van klager en het is nog steeds onduidelijk waarom de auto op naam van [betrokkene] (1930) werd gezet. Ik acht het derhalve niet hoogst onwaarschijnlijk dat de rechter, later oordelend, deze inbeslaggenomen personenauto verbeurd zal verklaren en verzoek om het klaagschrift ongegrond te verklaren. Subsidiair verzoek ik om de zaak aan te houden ten behoeve van een aanvullend onderzoek ten aanzien van de ter zitting door de raadsman ingediende stukken.
Raadsman:
Ik verzet mij tegen aanhouding van de zaak. Het is aan het openbaar ministerie om aan te tonen dat er in deze sprake is van gelden van criminele herkomst. De auto dient te worden teruggegeven aan cliënt, nu er geen verbeurdverklaring valt te verwachten en geen nader onderzoek aan de auto nodig is. Het is namelijk duidelijk wat deze auto waard is. Ik verzoek om het klaagschrift gegrond te verklaren en de auto terug te geven aan cliënt.”
4.4. De Rechtbank heeft de gegrondverklaring van het beklag als volgt gemotiveerd:
“De beoordeling
(…)
De rechter is van oordeel dat er in deze sprake is van onrechtmatig gelegd beslag op voornoemde personenauto, nu dit beslag op 3 november 2014 in het kader van 94a van het Wetboek van Strafvordering door de politie Oost-Brabant werd gelegd en niet door de daartoe bevoegde personen (officier van justitie krachtens schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris (art. 103 lid 1 Sv Pro) of in het kader van een strafrechtelijk financieel onderzoek (art. 126b lid 1 Sv) de rechter-commissaris). Derhalve zal de rechtbank het klaagschrift gegrond verklaren als na te melden en de teruggave gelasten van voornoemde personenauto aan beslagene/klager.

DE BESLISSING

De rechtbank verklaart het beklag gegrond en gelast de teruggave van
• een personenauto van het merk Mercedes-Benz, type Glk 220 Cdi 4ma, voorzien van kenteken [AA-00-AA] , aan [klager] , beslagene/klager.”
4.5.1.
De Rechtbank heeft vastgesteld dat er sprake is van een conservatoir beslag ex art. 94a Sv (en vervolgens bepaald dat die inbeslagneming onrechtmatig is geschied). Het middel keert zich tegen deze vaststelling.
4.5.2.
Kennelijk heeft de Rechtbank haar oordeel gebaseerd op het stuk ‘Kennisgeving van inbeslagneming (artikel 94a Sv)’. Alleen in dit stuk heb ik een aanwijzing aangetroffen dat het om beslag in de zin van art. 94a Sv zou gaan. In bedoelde kennisgeving staat vermeld dat het gaat om conservatoire inbeslagneming, maar als grondslag voor het beslag is vermeld: ‘Wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen’. Dit is opmerkelijk aangezien dit één van de beslaggronden ex art. 94 Sv Pro betreft.
4.5.3.
Uit andere stukken van het geding blijkt het volgende. In het proces-verbaal van bevindingen van 13 februari 2015, opgemaakt door de politie, is vermeld dat de desbetreffende personenauto op grond van art. 94 Sv Pro in beslag is genomen. [2] Voorts is er een ‘Bewijs van ontvangst’ betreffende de inbeslaggenomen goederen d.d. 3 november 2014, waarin geen melding wordt gemaakt van de beslaggrond. Bij klaagschrift van 8 januari 2015 verzoekt de klager om teruggave van de inbeslaggenomen personenauto. In het klaagschrift betwist de klager de wetmatigheid van de inbeslagneming. Daartoe wordt aangevoerd dat de klager niet de beschikking heeft over de stukken in de strafzaak waaruit blijkt op welke gronden de inbeslagneming heeft plaatsgevonden. Daarnaast wordt de rechtmatigheid van (het voortduren van) het beslag aan de orde gesteld. De conclusie OM, getiteld: ‘Beklag over inbeslagneming (art. 552a Sv) c.q. beklag teruggave of bewaring t.b.v. rechthebbende (art. 116, lid 3 Sv)’, opgemaakt op 4 maart 2015 door G.H.M. Broeren, senior parketsecretaris, vermeldt duidelijk dat het hier beslag ex. art. 94 Sv Pro betreft. De officier van justitie heeft aangegeven - met verwijzing naar art. 94 Sv Pro - dat bezwaar tegen teruggave bestaat in verband met de waarheidsvinding, het aantonen van wederrechtelijk verkregen voordeel en de eventuele verbeurdverklaring/onttrekking aan het verkeer van het inbeslaggenomen goed.
4.5.4.
Aan het vorenstaande kunnen sterke aanwijzingen worden ontleend dat het hier (eerder) art. 94 Sv Pro beslag betreft. De vermelding van art. 94a Sv in de kennisgeving van inbeslagneming duidt mogelijk op een (kennelijke) verschrijving. Ook bij de behandeling in raadkamer komt naar voren dat de officier van justitie, gelet op zijn betoog, er van uitgaat dat het beslag is gebaseerd op art. 94 Sv Pro. Mede naar aanleiding van het betoog van de officier van justitie lijken ook de klager en zijn raadsman daarvan uit te zijn gegaan, nu de raadsman heeft aangevoerd dat geen verbeurdverklaring valt te verwachten en dat geen nader onderzoek aan de auto nodig is (m.b.t. de waarheidsvinding). Voorts heeft de raadsman nog aangevoerd dat hij geen reden ziet om het beslag te laten voortduren; dan had het openbaar ministerie maar conservatoir beslag moeten leggen op de auto.
4.5.5.
Gelet op de stukken van het geding en in het licht van hetgeen is aangevoerd door de partijen had de Rechtbank mijns inziens niet kunnen volstaan met de enkele vaststelling dat het onderhavige beslag in het kader van 94a Sv is gelegd. [3] Temeer nu de klager in zijn klaagschrift de wettelijke grondslag van de inbeslagneming aan de orde heeft gesteld, had de Rechtbank ervan blijk moeten geven onderzoek te hebben gedaan naar de juridische grondslag van het beslag en haar oordeel dienaangaande nader dienen te motiveren. [4]
Het oordeel van de Rechtbank dat sprake is van conservatoir beslag ex art. 94a Sv is, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk, nu de Rechtbank niet ervan blijk heeft gegeven bij haar oordeel te hebben betrokken dat en waarom geen sprake is van art. 94 Sv Pro beslag. De beslissing van de Rechtbank is derhalve ontoereikend gemotiveerd. [5]
4.6.
Het middel klaagt daarover terecht.
5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot verwijzen of terugwijzen als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.In de samenhangende zaak tegen de vader van de klager, met griffienummer 15/02272B ( [betrokkene] ), concludeer ik vandaag eveneens.
2.Zie pag. 2 van dat proces-verbaal van bevindingen.
3.Vgl. in dit verband bijv. HR31 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7765.
4.Vgl. HR 6 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6174.
5.Vgl. bijv. HR 18 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB6219 en HR 25 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6604.