Conclusie
1.Inleiding
2.Bespreking van het principale cassatieberoep
1, 2 en 4zien op het debat over de vormgeving van de voorgenomen samenwerking en daarmee de vraag of de samenwerking zou leiden tot strijd met de wet. Onderdeel 3 ziet op conversie, onderdeel 5 op toerekenbaarheid van de tekortkoming.
het model en de strijdigheid ervan met art. 37c Besluithet volgende over de rol van de apotheken in het model:
terwijl anderzijds het oordeel dat uitvoering van de overeenkomst overtreding van het gestelde in artikel 37c Besluit zou betekenen..” ) - geacht wordt tevens de klacht te behelzen dat onbegrijpelijk is dat het hof aan deze aldus op te vatten stelling van Esmilo is voorbijgegaan (deze ruimhartige lezing van het middelonderdeel is ontleend aan de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.25.3), oordeelt dit hof dat in hetgeen Esmilo in haar memorie van antwoord en volgens de pleitnota van haar raadsman vóór verwijzing over het model naar voren heeft gebracht, elke steun ontbreekt dat Esmilo met bestellingen van apotheken bedoelde dat deze slechts tegenover fabrikanten voorgewend zouden worden.
het model als enig samenwerkingsmodel:
subonderdeel 1.3is onbegrijpelijk het oordeel in rov. 24 (en o.a. rov. 4 en 17) dat Esmilo bij memorie van antwoord vóór verwijzing heeft gesteld dat medicijnen op naam van apothekers besteld zouden worden. Uit de in subonderdeel 1.1 geciteerde (essentiële) stellingen, waaronder de opmerking van [betrokkene], zou immers het tegendeel blijken, althans een aanwijzing voor het tegendeel, waaraan het hof Den Haag niet zonder nadere motivering voorbij mocht gaan.
2.8 ad i) behelst volgens rov. 4 dat op naam van apotheken bij OPG Groothandel medicijnen besteld zouden worden. OPG zou deze medicijnen (deels) rechtstreeks afleveren aan Medimilo
op naamvan apotheken
bijOPG Groothandel (
2.8 ad ii). Het model behelst niet dat OPG Groothandel bij haar inkoop van medicijnen op haar beurt in naam van de apotheken de medicijnen zou inkopen of bij haar inkoop van de medicijnen de namen van de apotheken zou noemen voor wie de medicijnen zouden zijn bedoeld.
subonderdeel 1.1aanvoert, niet op de bij 2.10 bedoelde stelling in te gaan. Anders dan
subonderdeel 1.3aanvoert, doet deze stelling ook niet af aan de begrijpelijkheid van het oordeel in rov. 24 (en 4 en 17).
2.8 ad iii).
omdatde groothandel medicijnen kan bestellen zonder de naam van apotheken te noemen. Ook zo bezien, falen de
subonderdelen 1.1 en 1.3.
vóór verwijzingis deze overweging ten overvloede gegeven, zodat
subonderdeel 1.1reeds om die reden faalt.
2.8 ad iv).
subonderdeel 1.2faalt.
zonderbestellingen van apotheken die zelf geen groothandelsvergunning hadden (waarop i.h.b. MvA na verwijzing nr. 63 wijst), zou sprake zijn van een situatie waarin partijen het risico zouden lopen van argwanende fabrikanten welke zij met het model probeerden te voorkómen (zie bij 2.12.1-2.12.3). Ik kom hierop terug bij de bespreking van onderdelen 2 en 3.
Subonderdeel 1.4.1betoogt dat het hof Den Haag in rov. 5 is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door te miskennen dat het Esmilo vrijstond haar reeds vóór verwijzing ingenomen stellingen in de procedure ná verwijzing met nieuwe stellingen en producties te onderbouwen en op een enkel punt zelfs te corrigeren. Het gaat om de stellingen (i) dat de bestellingen fictief zouden zijn, althans dat Medimilo geen medicijnen van apothekers betrekt; (ii) dat het mogelijk is om als groothandel zonder namen van apotheken te noemen medicijnen in te kopen; en (iii) dat het model geen strijd met de geldende regelgeving laat zien, omdat de apothekers in dat model moeten worden weggedacht.
subonderdeel 1.4.2) en omdat dit paste binnen het voorgezette debat inzake de door Uw Raad geformuleerde (niet-limitatieve) gezichtspunten (
subonderdeel 1.4.3). Gelet op het voorgaande, is het hof Den Haag uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door geen acht te slaan op de door Esmilo na verwijzing nog nader ingebrachte stellingen en producties, althans is het oordeel van het hof in rov. 5 onbegrijpelijk in het licht van deze stellingen (
subonderdeel 1.4.4).
subonderdeel 2.1.1(
onderdeel 2.1bevat een inleiding) geeft het hof Den Haag in rov. 9 een onbegrijpelijke uitleg aan de klachten in subonderdeel 1.4.1 van het cassatiemiddel van Esmilo in de eerste cassatieprocedure. Het subonderdeel voert aan dat Esmilo in cassatieonderdeel 1.4.1 heeft geklaagd over de (on)begrijpelijkheid van het oordeel van het Amsterdamse hof omtrent het ontbreken van een alternatief onder meer met de stelling dat van inbreuk geen sprake is omdat medicijnen niet van apotheken zouden worden betrokken. Dat is (volgens het subonderdeel) een cruciaal verschil met de constructie waarvan het Haagse hof in navolging van het Amsterdamse hof uitgaat (nl. strijd met art. 37c Besluit omdat geneesmiddelen door de groothandel van apotheken worden betrokken).
subonderdelen 2.1.2 en 2.1.3richten, deels op subonderdeel 2.1.1 voortbouwende motiveringsklachten, tegen rov. 10. Nu de klacht tegen rov. 9 faalt en rov. 10 ten overvloede is gegeven, behoeven deze subonderdelen geen behandeling.
subonderdelen 2.2.1, 2.2.2 en 2.2.3klagen overeenkomstig en onder verwijzing naar de subonderdelen 1.4.1-1.4.4 dat het hof Den Haag in rov. 9, 10, 24 en 25 miskent dat het Esmilo vrijstond haar reeds vóór verwijzing ingenomen stellingen in de procedure ná verwijzing met nieuwe stellingen en producties te onderbouwen en op een enkel punt zelfs te corrigeren. Daarbij wordt tevens gewezen op de opmerking van [betrokkene].
subonderdeel 3.1, dat geen klacht bevat).
subonderdelen 3.2, 3.3 en 3.7).
subonderdelen 3.4, 3.5, 3.6 en 3.7).
subonderdelen 3.2 en 3.3aangevoerde argumenten.
subonderdeel 3.7.
subonderdelen 3.4 en 3.5voeren – kort samengevat – aan dat het hof Den Haag in rov. 22 is uitgegaan van een onjuiste maatstaf door het beroep van Esmilo op conversie te passeren dan wel in rov. 24 en 25 is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door in de beoordeling of Esmilo nakoming van de (geldige) overeenkomst kon vorderen niet – op grond van de redelijkheid en billijkheid – alsnog tot (ambtshalve) conversie, althans tot onderzoek naar de aanwezigheid van een mogelijk alternatief, over te gaan. Esmilo voert daarbij aan dat zij slechter af is met het oordeel van het hof, dat de overeengekomen samenwerking niet in strijd is met de openbare orde. Zou immers tot nietigheid zijn geconcludeerd, dan zou conversie mogelijk zijn geweest.
subonderdeel 5.3, dat partijen hadden afgezien van de samenwerking op het gebied van de export van medicijnen tegen betaling van een hogere prijs voor de aandelen.
subonderdeel 4.1wegens gebrek aan belang. [17]
subonderdeel 4.2.1over de begrijpelijkheid van het oordeel in rov. 18, dat in het samenwerkingsmodel voor de apotheken een rol was weggelegd die vergelijkbaar was met die van apotheek [A]. Onder verwijzing naar de onderdelen 1.4.2, 2.2.3 en 3.3 klaagt
subonderdeel 4.2.2dat het hof de essentiële stelling van Esmilo na verwijzing heeft gepasseerd, dat zij niet de wet wenste te overtreden en zo nodig in overleg met Mediq het model zou aanpassen aan een legale constructie.
onderdelen 5.1 en 5.2klagen over de oordelen in rov. 25, die ik heb vermeld bij 2.5.5, tweede gedachtestreepje. De onderdelen behoeven geen bespreking, omdat zij falen bij gebrek aan belang. Het hof heeft immers grief 2 van Mediq ook geslaagd geacht op de in rov. 24 bedoelde zelfstandig dragende grond.
3.Bespreking van het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep
onderdelen 1 en 2richten zich tegen rov. 20, waarin het hof, samengevat, oordeelt dat aan de civielrechtelijke sanctie van nietigheid van de overeenkomst “navenant minder behoefte” bestond, omdat op overtreding van artikel 37c Besluit en van artikel 4 lid 3 en Pro 2 lid 1 onder d WOG strafrechtelijke en bestuursrechtelijke sancties waren gesteld en dat deze bepalingen daadwerkelijk zouden zijn gehandhaafd.