Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het principale cassatiemiddel
Onderdeel aklaagt dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door voorbij te gaan aan de rechtsstrijd, omdat het hof de opstelling van partijen niet in zijn oordeelsvorming heeft betrokken, althans zijn oordeel ondeugdelijk met redenen heeft omkleed.
Onderdeel b.1klaagt dat het hof heeft miskend dat het in de onderlinge verhouding tussen partijen niet (slechts) aankwam op de uitleg van de notariële akte van 2 april 2009, maar dat het aankwam op de uitleg van die akte in de context van en samenhang met het ‘Memorandum of Understanding’ en de nadere uitwerking zowel in de leveringsakte als in de hypotheekakte.
Onderdeel b.2bouwt op het voorgaande onderdeel voort en klaagt dat het hof in zijn oordeelsvorming niet heeft betrokken de betekenis die [verzoekster] hecht aan het ‘Memorandum of Understanding’.
Onderdeel cklaagt dat het hof in rov. 3.4 blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting in de toepassing van de maatstaf van de objectieve uitleg, voor zover deze maatstaf zou zijn te hanteren.
Onderdeel dbetoogt dat het hof in rov. 3.4 blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omdat het heeft miskend dat het aankwam op de vraag wat de inhoud was van de obligatoire afspraken van partijen, samenhangend met en leidend tot de leverings- en hypotheekakte. Voor de uitleg van de obligatoire afspraken is de Haviltex-maatstaf bepalend, ook als deze afspraken in een notariële akte tot uitdrukking zijn gebracht. De in rov. 3.4 gehanteerde objectieve uitlegnorm geldt, indien de inzet is de zakelijke werking in relatie tot derden. Het hof heeft dit miskend althans zijn oordeel ondeugdelijk gemotiveerd.
Subonderdeel eklaagt dat zonder nadere onderbouwing het hof niet heeft kunnen oordelen dat op grond van de objectieve uitleg het bedrag van de ter leen ontvangen gelden Naf. 790.000,- dient te zijn en niet Naf. 680.170,-, zoals vermeld staat in de hypotheekakte.