Deze zaak betreft een geschil tussen partijen die een vennootschap onder firma (de Vof) hadden opgericht voor een orthodontiepraktijk. Na het ontstaan van meningsverschillen werd de samenwerking beëindigd en volgde een procedure over nakoming van afspraken uit een schikking en diverse vorderingen.
In eerste aanleg werden vorderingen afgewezen en een deskundigenonderzoek bevolen, dat eisers niet lieten plaatsvinden. In hoger beroep verklaarde het hof Amsterdam eisers niet-ontvankelijk wegens het niet tijdig dienen van een memorie van grieven, conform het pilotreglement dat sinds 2013 in Amsterdam geldt.
Eisers stelden in cassatie dat het hof hen onterecht zonder waarschuwing niet-ontvankelijk had verklaard, verwijzend naar een eerder arrest van de Hoge Raad van 17 april 2015 waarin werd geoordeeld dat bij toepassing van het pilotreglement een korte hersteltermijn moet worden verleend.
De Hoge Raad bevestigt dat het pilotreglement afwijkend is en dat strikte toepassing zonder waarschuwing tot definitieve uitsluiting leidt. Daarom moet de rechter ambtshalve een korte termijn verlenen om het verzuim te herstellen. Omdat het hof dit naliet, wordt het arrest en de rolbeslissing vernietigd en de zaak terugverwezen voor verdere behandeling.