4.2Blijkens de ter terechtzitting in hoger beroep van 29 september 2014 overgelegde pleitnota heeft de raadsman van de verdachte aldaar, voor zover van belang, het volgende aangevoerd:
“2.1 NOODWEER / NOODWEEREXCES
8. Toen [verdachte] van het café richting de Bijlmerdreeftrap liep, hoorde hij iemand (naar later bleek, [slachtoffer] ) zeggen “hé jij daar, stop eens”. [verdachte] besefte dat het ‘iemand van het café moest zijn. [verdachte] riep terug “ga weg, laat me met rust”.
9. Toch bleven [slachtoffer] en zijn twee vrienden achter [verdachte] aanlopen. Bij de politie heeft [verdachte] verklaard dat ze geen goede bedoelingen hadden, dat ze kwamen om te vechten. Die indruk krijg je niet zomaar. [slachtoffer] herhaalde dat [verdachte] moest stoppen en [verdachte] antwoordde wederom dat ze hem met rust moesten laten. Ook getuige [getuige 2] (de zakenpartner van [slachtoffer] ) merkt bij de politie op dat [verdachte] antwoordde dat hij met rust gelaten wilde worden. Hij vult aan, dat [slachtoffer] aan [verdachte] had gevraagd waarom hij ‘dat’ had gedaan (=het flesje drank gooien).
10. De andere vriend van [slachtoffer] , [getuige 1] , heeft verklaard dat [slachtoffer] [verdachte] tot antwoorden maande en dat [verdachte] slechts zei “Beter voor jou terug gaan”.
11. Dan is er nog één andere getuige die iets heeft verklaard over de communicatie tussen [slachtoffer] en [verdachte] . [betrokkene 3] liep in dezelfde richting als de vier hoofdpersonen en werd door hen ingehaald. Zij heeft verklaard dat [slachtoffer] steeds aan het woord was en continu herhaalde “Zeg wie het heeft gedaan. Zeg wie het glas heeft gegooid. Zeg het me dan”.
Ze omschrijft het als een dringend verzoek op redelijk normale toon. Omdat [slachtoffer] zijn zin bleef herhalen, dit op indringende wijze deed én omdat zij met drie waren en [verdachte] alleen, raakte [verdachte] in paniek en versnelde hij zijn pas.
12. [betrokkene 3] heeft, net als [verdachte] , verklaard dat [slachtoffer] [verdachte] ’s arm heeft aangeraakt. Ook agenten [getuige 3] en [getuige 4] hebben gezien dat er werd geduwd. Dit was aan het begin van de trap richting Bijlmerdreef. Getuige Kop verklaart dat de mannen dicht bij elkaar stonden, bijna hoofd aan hoofd. Op dat moment realiseerde [verdachte] zich, dat hij geen kant uit kon.
De-escaleren door waarschuwing: niet gelukt
[verdachte] had geprobeerd zijn belagers verbaal van zich te weren, door te zeggen dat ze terug moesten gaan en hem met rust moesten laten. Dit had niet geholpen.
De-escaleren door pasversnelling: niet gelukt
[verdachte] had geprobeerd zich middels pasversnelling van zijn belagers te verwijderen. Dit had niet geholpen, [slachtoffer] had hem bereikt.
In de val
Toen [slachtoffer] [verdachte] bij de schouder pakte, besefte [verdachte] ineens dat hij geen kant op kon. Hij stond een meter van de trap af. Teruglopen kon niet, daar stonden [slachtoffer] en zijn twee vrienden. De trap oplopen leek al een even slecht idee, omdat [slachtoffer] (die hem op dat moment bij de schouder vast had) hem bij zijn jas zou kunnen vastpakken of zelfs bij zijn been. [verdachte] zou tot struikelen kunnen worden gebracht.
Herinnering aan Suriname
Veertien jaar eerder, in Suriname, bevond [verdachte] zich in een gevoelsmatig vergelijkbare situatie. Hij lag op straat, er stond een aantal belagers om hem heen. [verdachte] heeft zich uit die penibele positie weten te redden door een pistool af te pakken van een van de omstaanders.
Trager denkniveau
Zoals uit pagina 10 van het PO-rapport van 20 juli 2012 blijkt, is [verdachte] zeer zwakbegaafd. Zijn IQ is 69. Zijn denkniveau is traag. De rapporteur schrijft:
“Als gevolg van zijn zwakke intelligentie en specifiek zwakke vaardigheden zoals uit het intelligentieonderzoek naar voren komt, is het werk- en denktempo van betrokkene trager dan gemiddeld en is zijn vermogen om binnenkomende informatie vlot te verwerken, logische beslissingen te nemen en tot adequate vervolghandelingen te komen, eveneens zwakker dan gemiddeld. Deze (aanleg) stoornis heeft naar oordeel van ondergetekende in enige mate doorgewerkt in betrokkenes gedrag en handelen ten tijde van de tenlastegelegde feiten.”
De rapporteur beschouwt [verdachte] als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar.
13. Deze aspecten leveren de volgende situatie op: [verdachte] was in het nauw gedreven. Pogingen om de dreiging af te wenden waren vruchteloos gebleken. [verdachte] kon geen kant op en de drie vrienden vormden een overmacht. [verdachte] was er van overtuigd dat ze hem wilden mishandelen. [verdachte] dacht in een flits terug aan de dreigende situatie in Suriname, waar hij op het nippertje en met veel geluk aan een vreselijk lot ontsnapt was. Door zijn lage denktempo in combinatie met de in zijn ogen bestaande noodzaak iets aan de dreigende situatie te doen, kwam hij in innerlijke strijd. Er moest iets gedaan worden, maar wat? (
handgeschreven op pleitnota: “beperkt oplossend vermogen”, AEH)
14. Voor [verdachte] was er maar één uitweg en dat was het gebruik van zijn pistool als slagwapen. Kiezen voor het minder zware middel van dreiging middels het pistool was ofwel onmogelijk ofwel levensgevaarlijk, immers [slachtoffer] was zo dichtbij dat hij het pistool zou kunnen proberen af te nemen om het tegen [verdachte] te kunnen gebruiken. Bovendien was er simpelweg geen tijd voor een dreigement.
15. [verdachte] wordt verweten dat hij [slachtoffer] op ernstige wijze heeft mishandeld door met het wapen tegen zijn hoofd te slaan (1 subsidiair ‘derde’ tenlastelegging) althans ermee in de richting van [slachtoffer] te schieten (1 primair ‘tweede’ tenlastelegging). Dat [verdachte] niet heeft geschoten, zal verderop in het pleidooi aandacht krijgen. Er vanuit gaande dat hij heeft geslagen, is sprake van noodweer of noodweerexces. Mocht onverhoopt aannemelijk worden dat [verdachte] heeft geschoten, dan is sprake van noodweerexces en, op basis van hierna te bespreken jurisprudentie, verdedigbaar zelfs noodweer. (…)
24. Gelet op de omstandigheden van het geval, drie tegen één, was het slaan met het wapen proportioneel. Had [verdachte] niet met het wapen had moeten slaan maar had hij weg
kúnnenen moeten rennen (hoewel hij werd vastgegrepen door [slachtoffer] én [verdachte] zich op een strategisch onhandige positie, net voor de trap, bevond) of had hij van zich af moeten slaan (hoewel zij met z’n drieën waren en hij slechts alleen)? Dan is sprake van noodweerexces. [verdachte] was angstig, bevreesd en op het laatste moment misschien zelfs radeloos. Meent u dat dit niet aannemelijk kan worden, dan zijn ook woede, verontwaardiging of drift in beginsel verontschuldigend, zo heeft de Hoge Raad al in 1895 bepaald. Getuige [getuige 5] omschrijft de situatie echter beeldend door te zeggen dat de drie mannen daar intimiderend stonden en dat ze forser en groter waren dan, de nogal tengere, [verdachte] . Die had voldoende reden voor angst.
(…)
28. De Rechtbank heeft het verweer dat [verdachte] uit (regulier of putatief) noodweer of noodweerexces handelde, ten onrechte verworpen. Zij heeft miskend dat [verdachte] in het nauw gedreven was, dat hij door zijn pas te versnellen en waarschuwingen te geven tevergeefs had gepoogd de dreiging af te wenden, dat [slachtoffer] en zijn vrienden een overmacht vormden, dat [verdachte] ’s toch al trage denktrant werd beïnvloed door plotselinge gedachten aan een noodlottige situatie in Suriname en dat [verdachte] het recht had zichzelf te verdedigen.”