Conclusie
1.Feiten en procesverloop
( [2] ):
Artikel 1
( [3] )
( [4] )dat de verplichting tot verrekenen over genoemd tijdvak in stand blijft en dat deze verrekening zich uitstrekt over het saldo dat is ontstaan door belegging en herbelegging van dat wat verrekend had moeten worden maar niet is verrekend, alsmede over de vruchten daarvan. Deze wijze van verrekening gelijkt op de verrekening die krachtens een finaal verrekenbeding plaatsvindt. Ter zake van die verrekening zijn bepalingen in de artikelen 1:142 en 1:143 BW opgenomen.
( [5] )In het kader van de uitoefening door de vrouw van dat recht is in de eerste plaats gestreden over de hoogte van het de vrouw toekomend aandeel in de pensioenrechten. In cassatie kan ervan worden uitgegaan dat aan dat aandeel een waarde toekomt van € 359.146,-. De vrouw heeft verder verzocht om de man te veroordelen tot het te doen storten van dit bedrag op een bankrekening van een door de vrouw aan te wijzen verzekeringsmaatschappij.
( [6] )Dit verzoek heeft de rechtbank toegewezen. Die beslissing heeft de man in appel bestreden op de grond, kort gezegd, dat het vermogen van de Pensioen B.V. ontoereikend is om aan de afstortingsverplichting te kunnen voldoen. Het hof acht dat verweer in zijn arrest van 13 januari 2015 gegrond (rov. 3.12 en 3.13).
2.Het principaal cassatieberoep
( [7] )
( [8] )
( [9] )Ingevolge artikel 1:141 lid 3 BW Pro was het aan de man om dit aan te tonen, aldus het hof in rov. 3.8. In deze rechtsoverweging zet het hof uiteen dat en waarom de man in dit bewijs niet is geslaagd. Hij heeft daartoe naar het oordeel van het hof niet genoegzame bewijsstukken in het geding gebracht.
( [10] )De in de onderneming achtergebleven ondernemingswinst is als een (her)belegging te beschouwen die een waarde stijgend effect heeft. Een en ander brengt mee dat, hoezeer de aandelen van de man in de Holding voorhuwelijks vermogen vormden, winsten uit de onderneming van die vennootschap, die wel voor uitkering in aanmerking kwamen, eveneens in aanmerking dienen te worden genomen bij de verrekenplicht tussen de echtgenoten, en dat dit niet anders is vanwege het feit dat, voor zover daarvan sprake is, het niet uitkeren van uit te keren ondernemingswinst tot verhoging van de waarde van de aandelen heeft geleid.
3.Het incidenteel cassatieberoep
vennootschap zouden zijn voldaan – verre van toereikend om het met de afstorting gemoeide bedrag van € 359.146,- te kunnen voldoen, na afstorting zouden er geen middelen meer in de vennootschap overblijven voor uitkering van pensioen aan de man. Voor zover de vennootschap in de jaren nadat de pensioenuitkering van de man is ingegaan nog winst heeft behaald, betreft deze de opbrengst van beleggingen. Niet te verwachten valt dat de man in deze omstandigheden extern kapitaal zal kunnen aantrekken, zoals door de vrouw betoogd. Ook zullen geen liquide middelen van de man privé kunnen worden verkregen teneinde aan de afstortingsverplichting te voldoen, gelet op het vermogen dat de man thans in privé heeft en het bedrag dat hij uit hoofde van verrekening aan de vrouw is verschuldigd.
vennootschap onvoldoende liquide middelen aanwezig zijn om de afstoting te effectueren en de benodigde liquide middelen niet kunnen worden vrijgemaakt of van elders verkregen zonder de continuïteit van de bedrijfsvoering van de vennootschap in gevaar te brengen. De eisen van redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen partijen als ex-echtgenoten beheersen, brengen in deze omstandigheden mee dat geen afstorting zal plaatsvinden.”
( [11] )Verder vormt ’s hofs oordeel over de afstortingsplicht als rustende op een weging van een geheel van feitelijke omstandigheden een feitelijk oordeel dat in cassatie slechts op begrijpelijkheid is te toetsen. Onbegrijpelijk is dat oordeel niet. Hierbij is mede in aanmerking te nemen dat hetgeen in § 30 van het aanvullend verweerschrift in hoger beroep door de vrouw wordt gesteld, niet is op te vatten als een deugdelijk onderbouwde stelling. De vrouw laat zich immers slechts in die zin uit dat haar ‘het vervelende gevoel bekruipt’ dat de man zijn zorgplicht als DGA van de Pensioenvennootschap (die mede de pensioenaanspraken van de vrouw bevat) om ervoor te zorgen dat deze B.V. in staat is tot afstorting van de benodigde koopsom ten behoeve van de vrouw, verzaakt. Aan een dergelijke vage uitlating hoefde het hof geen aandacht te besteden.