ECLI:NL:HR:2007:AZ2658
Hoge Raad
- Cassatie
- D.H. Beukenhorst
- P.C. Kop
- A. Hammerstein
- F.B. Bakels
- W.D.H. Asser
- E.J. Numann
- Rechtspraak.nl
Toewijzing verzoek tot afstorting helft tijdens huwelijk opgebouwd pensioen bij echtscheiding
Partijen zijn gehuwd in gemeenschap van goederen en hebben huwelijkse voorwaarden opgesteld. Na ontbinding van het huwelijk verzocht de vrouw om afstorting van de helft van het tijdens het huwelijk opgebouwde pensioen van de man bij een externe pensioenverzekeraar. De rechtbank wees dit verzoek af, maar het hof kende het toe en veroordeelde de man tot betaling via zijn pensioen-BV.
De man stelde dat de onderneming onvoldoende liquide middelen had om afstorting te verrichten, maar het hof verwierp dit argument omdat de verplichting tot afstorting gebaseerd is op redelijkheid en billijkheid en de man als directeur-grootaandeelhouder de middelen in zijn macht heeft. De Hoge Raad bevestigde deze uitleg en oordeelde dat de stelling van onvoldoende middelen zonder nadere onderbouwing onvoldoende is om afstorting te weigeren.
De Hoge Raad benadrukte dat de vereveningsplichtige echtgenoot in beginsel zorg moet dragen voor afstorting bij een externe verzekeraar om de vereveningsgerechtigde echtgenoot zekerheid te bieden. Alleen bij aantoonbare bedreiging van de continuïteit van de onderneming kan hiervan worden afgeweken. Het cassatieberoep van de man en het incidentele cassatieberoep van de vrouw werden verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het verzoek tot afstorting van de helft van het tijdens het huwelijk opgebouwde pensioen toe en verwerpt het cassatieberoep.