Conclusie
eerste middelklaagt in samenhang met de toelichting dat het hof is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging, inhoudende dat de herkenning van de verdachte op basis van de camerabeelden onbetrouwbaar is, zonder dat het in het bijzonder de redenen heeft opgegeven die daartoe hebben geleid.
Verweren
's nachts is benaderd door de medeverdachte [medeverdachte] terwijl hij buiten aan het roken was. Samen stappen zij bij een derde man in de auto en rijden naar het havengebied. Bij aankomst stappen de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] uit. [medeverdachte] geeft aan de verdachte aan dat hij van plan is om bij het bedrijf Westerstuw in te breken omdat hij gehoord heeft dat er een kluis in het kantoor van Westerstuw staat. Bij Westerstuw gaan ze onder de slagboom door en op het moment dat ze een steen gaan zoeken om een raam in te gooien horen ze de politie. Enkele minuten later worden ze aangehouden.
Deze ongeloofwaardigheden kunnen naar het oordeel van het hof niet anders verklaard worden dan uit het feit dat de verklaring door de verdachten verzonnen is om hun betrokkenheid bij de invoer van de ruim 150 kilo aangetroffen cocaïne te verhullen.
Daarbij komt dat niemand anders dan de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] in de buurt van het terrein is gezien of aangetroffen terwijl het onwaarschijnlijk is dat degenen die 150 kg cocaïne in de rolcontainer hebben gestopt, het terrein zouden hebben verlaten en de cocaïne in de rolcontainer onbeheerd zouden hebben achtergelaten.
Dit komt overeen met de kleding die de verdachten aan hadden op het moment waarop zij werden aangehouden.
Vermeende herkenningVerbalisant [verbalisant] meent cliënt te herkennen aan de hand van het beeldmateriaal en meer in het bijzonder het beeld van camera 5:00.35.53 uur.
Geen andere personenIn hetzelfde pv-bevindingen van verbalisant [verbalisant] wordt vermelding gemaakt van het feit dat er geen andere personen in de buurt van de rolcontainer op het terrein aanwezig waren.
tweede middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, klaagt dat het hof de verwerping van het verweer van de verdachte - inhoudende dat hij niet aanwezig is geweest op het bedrijfsterrein van Metaalhandel B.V. en waarom hij op het naastgelegen terrein wel aanwezig was -, op ontoereikende gronden, althans onbegrijpelijk, heeft gemotiveerd.
derde middelen het
vierde middelkomen op tegen 's hofs bewezenverklaring van het voorwaardelijk opzet bij de verdachte. Zij lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
hij op 12 april 2014 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van Pro de Opiumwet, 150,80 kilogram, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I.
hij in de periode van 1 april 2014 tot en met 12 april 2014 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van 150,0 kilogram cocaïne, zijnde cocaïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I te bevorderen,
- (een) ander(en) gelegenheid tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen
hebbende verdachte en zijn, verdachtes, mededader:
- onbevoegd het terrein van de ECT betreden en
- een container opengebroken teneinde de tassen met verdovende middelen eruit te kunnen halen en
- de tassen met verdovende middelen uit genoemde container gehaald en
- de tassen met verdovende middelen in een (blauwe) (rol)container gestopt;”
in beeld, loopt direct weer terug naar"de
container" en gaat om 00:26:19 uur "de container" weer in. De andere persoon bevindt zich nog steeds in "de container".
Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (p. 1 e.v.):
Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (p. 115 e.v.):
Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (p. 111 e.v.):
Wetenschap van cocaïneDe raadsvrouw van de verdachte heeft - zakelijk weergegeven - het verweer gevoerd dat op basis van het dossier niet blijkt dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de inhoud van de sporttassen. Daarom kan er ook geen sprake zijn van opzet en dient de verdachte te worden vrijgesproken.
De verdachte heeft kort na middernacht samen met de medeverdachte op een afgesloten bedrijfsterrein in de haven van Rotterdam, na insluiping op dat terrein, een aantal sporttassen uit een afgesloten zeecontainer gehaald. Hiertoe is deze container opengebroken.
Het is een feit van algemene bekendheid dat er via de haven van Rotterdam met grote regelmaat cocaïne wordt ingevoerd in Nederland. Uit het feit dat de verdachtedeze sporttassen in de nachtelijke uren van een afgesloten bedrijfsterrein uit een afgesloten zeecontainer heeft gehaald leidt het hof af dat de verdachte moet hebben beseft dat de sporttassen met smokkelwaar waren gevuld. De verdachte heeft derhalve de aanmerkelijke kans dat de tassen gevuld waren met cocaïne voor lief genomen. Dat de verdachte in de redelijke veronderstelling kon zijn dat de tassen met iets anders gevuld waren is gesteld noch gebleken. Het vorenstaande brengt het hof tot het oordeel dat de verdachte ten minste bewust de aanmerkelijke kans dat de tassen met cocaïne waren gevuld heeft aanvaard en daarmee voorwaardelijk opzet op het invoeren van de cocaïne heeft gehad.
(…)
Er zijn aanwijzingen dat er veel meer zaken vanuit Zuid-Amerika naar Europa worden gesmokkeld die niet op lijst 1 van de Opiumwet staan.
Belangrijker is echter dat er een levendig illegaal smokkelhandel is van diamanten, andere edelstenen, bedreigde diersoorten, maar ook delen van bedreigde diersoorten.