Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.De met de Wet positie en toezicht advocatuur aangebrachte wijzigingen
goedgekeurd ter somma van. . . . ., met uitdrukking, in letters, van het geheel bedrag waarop dezelve is begroot, en daaronder een bevelschrift van ten uitvoer legging, hetwelk op de minuut ten uitvoer wordt gelegd.”
2. Dit verzet wordt gebragt voor het collegie, welks voorzitter of benoemd lid het bevelschrift heeft afgegeven, en wordt als eene summiere zaak afgedaan.
(…) Op grond van het nieuwe artikel 28, tweede lid, onderdeel b, wordt daarom het college van afgevaardigden gehouden om regels te stellen waarin de verplichting wordt neergelegd voor advocaten c.q. advocatenkantoren om een klachten- en geschillenregeling te hanteren of zich daarbij aan te sluiten. (…) Het hanteren van een geschillenregeling betekent niet dat voor een cliënt of de individuele advocaat de weg naar de tuchtrechter of de civiele rechter wordt afgesloten. Zij hebben beiden uiteindelijk altijd de mogelijkheid om een geschil aan de rechter voor te leggen.
Artikelen II, III en V (Wet op de rechtsbijstand en Wet tarieven in burgerlijke zaken)
b. de verplichte aansluiting bij een klachten- en geschillenregeling, waaronder de verplichte aansluiting bij een regeling waarbij sprake is van een overeenkomst tot arbitrage, bedoeld in artikel 1020 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering of van een vaststellingsovereenkomst, bedoeld in artikel 900 van Pro Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, op grond waarvan geschillen omtrent de hoogte van een declaratie worden afgedaan; (…).”
nadiende gang naar de gewone rechter kon worden gemaakt. Om die reden was het volgens de wetgever niet langer nodig de begrotingsprocedure van de Wtbz te laten voortbestaan.
3.Beantwoording van de prejudiciële vraag
“(a)an een afzonderlijke wettelijke regeling van een begrotingsprocedure in de Wtbz (…) geen behoefte meer (bestaat)” [21] . Anders dan voor een nadere begroting van het (reeds door de raad van toezicht begrote) salaris van de advocaat, heeft de wetgever kennelijk nog wél voldoende grond gezien voor een handhaving van de mogelijkheid de ingevolge de Wrb verschuldigde eigen bijdrage en de overige kosten van rechtsbijstand bindend door de president te doen vaststellen. Het schrappen van de begrotingsprocedure van de Wtbz bracht onvermijdelijk met zich dat ook de verwijzing naar (het sluitstuk van) die procedure in art. 38 lid 4 Wrb Pro niet in stand kon blijven. Kennelijk was de wetgever echter van oordeel dat de resterende, eerste volzin van art. 38 lid 4 Wrb Pro ook ná het schrappen van die verwijzing zijn betekenis behield.
nietmet de invordering van betwiste (en doorgaans hogere) salarisbedragen over één kam heeft willen scheren en dat hij de mogelijkheid van een eenvoudige en snelle rechterlijke vaststelling van de (doorgaans lagere) eigen bijdrage en overige kosten van rechtsbijstand heeft willen behouden.
van rechtswegeaan de rechtsbijstandverlener is verschuldigd en tegen besluiten van de raad van toezicht op grond van de Wrb bovendien bezwaar en beroep ingevolge de Algemene wet bestuursrecht openstaan. Als de wetgever niet zou hebben beoogd dat óók de eigen bijdrage tot inzet van een arbitrage of bindend-adviesprocedure zou worden gemaakt, was er reden te meer om art. 38 lid Pro 4, eerste volzin, Wrb te handhaven.
“verzoek”,
“verzoekschrift”of
“verzoeken”heeft gehanteerd. In geval van twijfel moet door uitleg van de wet worden uitgemaakt of een zaak al dan niet met een verzoekschrift moet worden ingeleid [22] . Als uit de wet niet kan worden afgeleid op welke wijze een procedure aanhangig moet worden gemaakt, moet dit bij dagvaarding gebeuren [23] . Of, anders gezegd, indien een zaak niet door middel van een verzoekschrift moet worden ingeleid, moet dat door middel van een dagvaarding [24] .
verzoekenhet bedrag daarvan vast te stellen, volgens de procedure voorzien in de artikelen 34 e.v. van de Wet tarieven in burgerlijke zaken. Zo wordt aansluiting gezocht bij een bekende regeling, waarvan de praktische toepassing geen problemen hoeft op te leveren. (cursivering toegevoegd; LK)”
“verzoeken”, de procedure van de art. 34-40 Wtbz voor ogen had, zij het dat ook in die bepalingen de begrippen
“verzoek”,
“verzoekschrift”of
“verzoeken”niet voorkomen.
“bevelschrift eigen bijdrage”spreekt, te zijn geïnspireerd door de inmiddels vervallen verwijzing naar de Wtbz, maar kennelijk heeft het vervallen van die verwijzing geen aanleiding tot een wijziging van art. 2.9.5 gegeven.
“de hoogte en/of de incasso van een of meer door de advocaat aan de cliënt verzonden declaraties”betreft. In het geval dat de
“consument”(de cliënt/natuurlijke persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf) de betaling van de dienst waarover het geschil gaat, geheel of gedeeltelijk achterwege heeft gelaten, moet hij volgens art. 11 van Pro de Geschillenregeling het nog openstaande declaratiebedrag bij de Stichting Geschillen voor consumentenzaken deponeren. Alhoewel geschillen tussen de advocaat en de cliënt die geldt als consument in de zin van de Geschillenregeling volgens art. 2 lid 2 van Pro die regeling bij wege van bindend advies worden beslist, wordt, in het geval dat het geschil door de advocaat tegen de cliënt aanhangig is gemaakt en deze laatste het openstaande declaratiebedrag niet binnen één maand na een daartoe strekkend verzoek heeft gedeponeerd, het geschil door arbitrage beslist.