Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van de middelen
wordthet faillissement uitgesproken. Dat is inderdaad juist, [7] maar heeft het Hof ook niet miskend. Het onderdeel berust op een onjuiste lezing van ’s Hofs beschikking en faalt om die reden. Uit het bestreden oordeel volgt niet dat het Hof tot uitgangspunt heeft genomen dat het faillissement niet
hoeftte worden uitgesproken indien aan beide eisen (pluraliteit en toestand van te hebben opgehouden te betalen) is voldaan. Het faillissementsverzoek is ook niet in weerwil van de aanwezigheid van de toestand van te hebben opgehouden te betalen afgewezen, maar op grond van de vaststelling dat van een dergelijke toestand geen sprake was.
verscheideneschulden onbetaald worden gelaten, dan wordt het onderdeel terecht voorgesteld. [9] Dit baat de Gemeente c.s. echter nog niet meteen. Uiteindelijk komt het erop aan of ’s Hofs oordeel, dat niet summierlijk van de toestand van te hebben opgehouden te betalen is gebleken, stand houdt. Tegen dat oordeel richten zich de verdere klachten.
onderdeel 1.3). ’s Hofs oordeel is wat de Gemeente c.s. betreft bovendien onvoldoende gemotiveerd in het licht van de niet door [verweerder] betwiste stelling dat (i) zijn vermogen geen verhaal biedt voor de onderhavige vorderingen, [10] (ii) hij naar eigen zeggen niet in staat is om aan de verplichtingen uit het vonnis te voldoen, [11] (iii) hij een substantieel gedeelte van de ontvreemde belastinggelden al heeft uitgegeven en gelet daarop niet meer aan zijn betalingsverplichtingen kan voldoen [12] en (iv) hij de vorderingen van de Gemeente en Divosa ook uit onwil niet heeft betaald [13] (
onderdeel 1.4). In het licht van deze stellingen is voor de Gemeente c.s. niet navolgbaar waarom het Hof desondanks concludeert dat niet summierlijk van de vereiste toestand blijkt. Dat een faillissementsprocedure zich niet leent voor een uitgebreid onderzoek naar de feiten en een uitgebreide bewijslevering, zoals het Hof in r.o. 3.6 heeft overwogen, doet hieraan volgens de Gemeente c.s. niet af. In ieder geval had het Hof deze stellingen bij zijn beoordeling moeten betrekken. Voor zover ’s Hofs oordeel inhoudt dat de beoogde stellingen niet relevant zijn voor de vaststelling van de toestand van te hebben opgehouden te betalen, is dat oordeel bovendien onjuist, aldus nog steeds de Gemeente c.s., omdat zowel betalingsonmacht als betalingsonwil het oordeel dat van de toestand van te hebben opgehouden te betalen sprake is, kunnen dragen (
onderdeel 1.5).
verscheideneschulden onbetaald worden gelaten. Daar komt bij dat ’s Hofs conclusie dat niet summierlijk is gebleken dat [verweerder] in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, tamelijk bondig is gemotiveerd. Het Hof is daarbij niet uitdrukkelijk ingegaan op alle stellingen van de Gemeente c.s. in dit verband. Ik zou hieraan echter niet de conclusie willen verbinden dat het middel slaagt.
onder Averonderstelt, staat de omstandigheid dat over de hoofdvorderingen een gerechtelijke procedure aanhangig is en de beoordeling in hoger beroep nog loopt, niet in de weg aan de conclusie dat summierlijk van het vorderingsrecht van de Gemeente c.s. is gebleken. [20] Voorts lijkt [verweerder] uit het oog te verliezen dat een faillissementsprocedure zich niet leent voor een uitgebreid onderzoek naar de feiten en voor een uitgebreide bewijslevering, maar slechts een beperkte toetsing betreft. Het Hof behoefde in zijn beschikking dan ook niet inhoudelijk op de door [verweerder] in het hoger beroep gericht tegen de veroordeling tot betaling aan de Gemeente c.s. gevoerde verweren in te gaan. Dat het Hof de betwisting door [verweerder] van de vorderingen van de Gemeente c.s. niet zonder betekenis heeft geacht, blijkt reeds uit zijn overweging dat in dit verband onder meer de mate waarin de vordering van de faillissementsaanvrager wordt betwist van belang is.
onder Bzijn pijlen op deze overweging richt onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 7 maart 2014 [22] ziet hij eraan voorbij dat in het geval dat daarin aan de orde was, sprake was van een bij verstekvonnis toegewezen vordering waartegen nog verzet openstond. In het onderhavig geval is [verweerder] in de procedure omtrent de vorderingen van de Gemeente c.s. gehoord, zodat er weinig op tegen lijkt voornoemde maatstaf te hanteren. Daarnaast verdient nogmaals nadruk dat het Hof blijkens r.o. 3.6 de betwisting van de vorderingen niet zonder belang heeft geacht.
onder Cdat het Hof in dit verband de essentiële stellingen van [verweerder] dat en waarom voldoende aannemelijk is dat het meergenoemde veroordelende vonnis van 26 augustus 2015 in hoger beroep door het Hof zal worden vernietigd niet of niet voldoende kenbaar in zijn beoordeling heeft betrokken. In verband met dit subonderdeel kan andermaal worden opgemerkt dat ’s Hofs oordeel wegens zijn feitelijk karakter niet op juistheid kan worden getoetst. Het is niet onbegrijpelijk en mede in aanmerking genomen dat in een procedure als de onderhavige geen strenge motiveringseisen worden gesteld, niet onvoldoende gemotiveerd.
onder Ameent, vormt de omstandigheid dat de hypotheeklasten steeds tijdig worden betaald geen beletsel om de vordering van ING Bank als steunvordering aan te merken. De vordering van ING Bank is verder geen toekomstige vordering, maar een niet opeisbare vordering, zodat zijn verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2014 [23] [verweerder] niet kan baten. Het Hof heeft met juistheid overwogen dat niet van belang is dat de schuld aan ING Bank niet opeisbaar is. [24] ’s Hofs oordeel is waar het deze vordering betreft ook niet innerlijk tegenstrijdig, zoals [verweerder]
onder Bstelt, maar niet toelicht.