In deze zaak stond de vraag centraal of verdachte medepleger kon zijn van geweld en bedreiging met geweld tegen een politieagent, terwijl niet was vastgesteld wie de bestuurder van de vluchtende auto was. Het hof had geoordeeld dat verdachte, als inzittende van de auto, voldoende nauwe en bewuste samenwerking had met de andere verdachten en daarmee medepleger was van de geweldshandelingen.
De verdachte was samen met twee anderen betrokken bij diefstallen met braak en vluchtte in een gestolen Audi. Tijdens de vlucht werd een politieagent met de auto klemgereden en bedreigd. Het hof concludeerde dat de rollen van bestuurder en inzittenden inwisselbaar waren en dat verdachte op zijn minst voorwaardelijk opzet had op de aanrijding en bedreiging van de agent.
De Hoge Raad oordeelde dat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk was en geen onjuiste rechtsopvatting bevatte. Het cassatieberoep faalde omdat medeplegen niet vereist dat de verdachte zelf de geweldshandeling verricht, maar dat sprake is van bewuste en nauwe samenwerking. De gedragingen van verdachte, zoals het uitstappen en dreigend op de agent afrennen, ondersteunden dit oordeel.
Het arrest bevestigt dat medeplegen ook kan worden aangenomen bij passieve deelneming mits voldoende nauwe samenwerking en dat het niet uitmaakt wie de bestuurder was. Dit sluit aan bij eerdere jurisprudentie over medeplegen en de invulling daarvan in het strafrecht.