ECLI:NL:PHR:2016:410

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 februari 2016
Publicatiedatum
26 mei 2016
Zaaknummer
15/01095
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:30 Sr CuraçaoArt. 1:29 Sr CuraçaoArt. 38 StatuutArt. 14.5 IVBPRArt. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt levenslange gevangenisstraf voor medeplegen moord Curaçaose politicus en behandelt periodieke herbeoordeling en rechtsmiddelen

De verdachte is veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf voor onder meer de moord op de Curaçaose politicus Helmin Wiels en andere ernstige feiten. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie bevestigde deze straf en wees verweren tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie af, onder meer vanwege vermeende normschendingen en onrechtmatige druk bij het verkrijgen van bekentenissen.

In cassatie werden meerdere middelen aangevoerd, waaronder het ontbreken van rechtsbijstand bij het afleggen van bekentenissen, ongeoorloofde pressie op getuigen en de motivering van de levenslange gevangenisstraf, met name in relatie tot de periodieke herbeoordeling van deze straf volgens artikel 1:30 Sr Pro Curaçao.

De Hoge Raad oordeelt dat het Hof terecht het OM ontvankelijk heeft verklaard en dat de verdachte ondubbelzinnig, desbewust en vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht op rechtsbijstand. De vermeende toezeggingen van het OM zijn niet ontoelaatbaar en de druk op getuigen was niet disproportioneel of onrechtmatig. Tevens bevestigt de Hoge Raad dat de regeling voor periodieke herbeoordeling van levenslange straffen van toepassing is, ook bij tenuitvoerlegging in Nederland, en dat het ontbreken van een rechtsmiddel tegen beslissingen van het Hof hierover niet in strijd is met internationale verdragen.

De strafmotivering is voldoende en de levenslange gevangenisstraf wordt gerechtvaardigd door de ernst van de feiten, het ontbreken van berouw en het gevaar voor recidive. De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt de strafoplegging en de rechtsgeldigheid van de procedure.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de levenslange gevangenisstraf wegens medeplegen van moord.

Conclusie

Nr. 15/01095 A
Zitting: 9 februari 2016
Mr. D.J.C. Aben
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Bij vonnis van 20 februari 2015 heeft het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, het vonnis van het gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 29 augustus 2014 bevestigd, met aanvulling van gronden, waarbij een vuurwapen aan het verkeer is onttrokken en de verdachte wegens – kort gezegd – moord, tweemaal het medeplegen van moord, en het plegen van een gewapende overval door twee of meer verenigde personen, is veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf.
2. Namens de verdachte heeft mr. O. Saleh-Kostrzewski, advocaat te Curaçao, beroep in cassatie ingesteld. Mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, heeft namens de verdachte een schriftuur houdende drie middelen van cassatie voorgesteld.
3. De zaak is vooral bekend vanwege de veroordeling van de verdachte voor het medeplegen van de moord op de Curaçaose politicus H.M. Wiels op het strand Marie Pampun te Curaçao op 5 mei 2013. Wiels was ten tijde van zijn dood de leider van de regeringspartij Pueblo Soberano (“
Onafhankelijk Volk”).
4. Het eerste en tweede middel klagen beide over de verwerping van verweren die strekten tot de niet-ontvankelijkverklaring van het OM. Het eerste middel betreft het ontbreken van rechtsbijstand. Het tweede middel betreft ongeoorloofde pressie.
5. Voordat ik beide middelen inhoudelijk bespreek, geef ik de overwegingen weer die het Hof aan deze verweren heeft gewijd. De overwegingen hebben ook betrekking op onderdelen waartegen de middelen niet zijn gericht, maar die onontbeerlijk zijn voor een goed begrip van de gewraakte overwegingen. Ik citeer uit het bestreden vonnis:

Ontvankelijkheid
De verdachte heeft ook in hoger beroep aangevoerd dat het openbaar ministerie niet- ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging.
Beoordelingsmaatstaf
In het vonnis waarvan beroep is ten aanzien van de aan te leggen beoordelingsmaatstaf het volgende overwogen:
Het Gerecht stelt voorop dat niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging als in artikel 413 van Pro het Wetboek van Strafvordering voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking komt. Daarvoor is alleen plaats ingeval de normschending daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.
Aan de hand van deze maatstaf beoordeelt het Gerecht hieronder de van belang zijnde kwesties in deze zaak.
In hoger beroep is aangevoerd dat deze maatstaf te beperkt is. De wijze waarop het openbaar ministerie is opgetreden heeft niet slechts de belangen van de verdachte aangetast, maar heeft het vertrouwen in de rechtspleging in het algemeen ernstig geraakt. Het beginsel dat de burger vertrouwen moet kunnen hebben in een zorgvuldig handelend openbaar ministerie is aldus geschonden. Daarnaast geldt nog dat door het onzorgvuldig handelen van het openbaar ministerie de rechtspleging in de kern is geraakt. Van een eerlijk proces is geen sprake geweest, aldus nog steeds de verdediging.
Het betoog van de verdediging komt erop neer dat ook normschendingen die niet voldoen aan de door de eerste rechter aangelegde maatstaf (het zogenaamde Zwolsmancriterium) van dien aard kunnen zijn dat zij moeten leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging.
Met de eerste rechter is het Hof echter van oordeel dat van normschending(en) niet is gebleken. Het verwijst daartoe naar de door de eerste rechter gehanteerde gronden, waar nodig aangevuld zoals hieronder vermeld. Het Hof kan de bepleite uitbreiding van het toetsingskader om die reden buiten verdere bespreking laten.
Pressieverbod
De verdachte heeft met betrekking tot het onder parketnummer 500.00950/13 ten laste gelegde feit 1 (moord Wiels) bekennende verklaringen afgelegd. De verdediging stelt dat bij de verkrijging van deze verklaringen normschendingen hebben plaatsgehad, al dan niet met het gevolg dat niet gezegd kan worden dat zij in vrijheid zijn afgelegd, zoals bedoeld in artikel 50 Sv Pro. Dat verweer is als volgt onderbouwd:
a. tijdens de zogenaamde bewijspresentatie van 14 november 2013 is aan de verdachte de toezegging gedaan dat hij zijn straf in Nederland mag uitzitten en dat hij geen levenslange gevangenisstraf opgelegd zal krijgen;
b. ook blijkens de brief van de officier van justitie van 10 maart 2014 is aan de verdachte toegezegd dat hij geen levenslange gevangenisstraf opgelegd zal krijgen en dat hij zijn straf in Nederland mag uitzitten;
c. de verdachte is geconfronteerd met belastende verklaringen van getuigen, welke getuigen op hun beurt tot die verklaringen zijn gekomen onder invloed van door politie en/of openbaar ministerie op hen uitgeoefende onaanvaardbare druk met als gevolg dat de verdachte mede onder druk van die, onjuiste, en onder pressie verkregen getuigenverklaringen is gaan bekennen.
Ad a
De eerste rechter heeft ten aanzien van dit onderdeel het volgende overwogen:
Op 14 november 2013 heeft een studioverhoor met de verdachte plaatsgevonden, waarbij hij door middel van een bewijspresentatie is geconfronteerd met de onderzoeksresultaten tot dat moment. Voorafgaand aan de bewijspresentatie en na afloop heeft de officier van justitie met de verdachte gesproken. De officier van justitie heeft hem – zakelijk weergegeven - het volgende voorgehouden. De officier van justitie heeft geconcludeerd dat er voldoende bewijs is om te komen tot bewezenverklaring van drie moorden, ook zonder een bekennende verklaring van de verdachte. De officier van justitie heeft meegedeeld dat de strafeis die daarbij hoort, met het strafblad van de verdachte, levenslange gevangenisstraf is. Voorts heeft de officier van justitie voorgehouden dat hij zijn strafeis zou kunnen veranderen, als de verdachte zou gaan verklaren in wiens opdracht hij het gedaan heeft. Als hij zou blijven zwijgen zou de officier van justitie zijn strafeis niet aanpassen, en zou de verdachte volgens de officier van justitie hoogstwaarschijnlijk levenslang krijgen.
Van het studioverhoor is op verschillende momenten verslag gedaan in het dossier. Op 15 november 2013 hebben de aanwezige rechercheurs een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt met een samenvatting (einddossier “Marie Pampun” pagina’s 1571-1582). Een van deze rechercheurs heeft bij proces-verbaal van 19 juni 2014 het gesprek met de officier van justitie letterlijk uitgewerkt (vervolg proces-verbaal (3) deelonderzoek “Marie Pampun” pagina ’s 1743-1750). Voorts heeft de officier van justitie zijn bevindingen over onder andere het studioverhoor in een proces-verbaal van 17 juli 2014 neergelegd (vervolgproces-verbaal (3) deelonderzoek “Marie Pampun” pagina ’s 1754 en 1755). Tijdens het onderzoek ter terechtzitting op 4 augustus 2014 is op verzoek van de raadsvrouw een gedeelte van het op DVD opgenomen studioverhoor af gespeeld, beluisterd en bekeken.
Het Gerecht kan zich niet verenigen met de conclusie van de raadsvrouw, dat de officier van justitie in het studioverhoor duidelijk zou hebben gemaakt dat de verdachte geen levenslang zou krijgen als hij zou gaan bekennen. In dat verband overweegt het Gerecht het volgende. De officier van justitie heeft bij herhaling meegedeeld dat hij eist en dat de rechter beslist. De verdachte mag met zijn strafblad ervaringsdeskundige genoemd worden. De officier van justitie heeft uitdrukkelijk gezegd dat voor bewezenverklaring de bekentenis van de verdachte niet nodig was.
Van ongeoorloofde druk door (of namens) de officier van justitie is niet gebleken. Vanzelfsprekend levert het vooruitzicht op een strafeis - en mogelijke oplegging door de rechter - van een levenslange gevangenisstraf druk op. Het Gerecht is echter van oordeel dat de officier van justitie met de aankondiging van deze strafeis niet een irreële prognose of een valse voorstelling van zaken heeft gegeven. Evenmin kan gezegd worden dat de officier van justitie in het studioverhoor ontoelaatbare toezeggingen heeft gedaan die zijn niet-ontvankelijkheid zouden moeten meebrengen. De omstandigheid dat een verdachte opening van zaken geeft en daarmee een bijdrage levert aan het oplossen van een zaak, mag en zal veelal ook worden betrokken bij het formuleren van de eis door de officier van justitie en door de rechter bij de straftoemeting.
Dit oordeel is juist. Feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel moeten leiden zijn in hoger beroep niet aangevoerd.
Ad b
De eerste rechter heeft ten aanzien van dit onderdeel het volgende overwogen:
In het dossier bevindt zich een brief van de officier van justitie aan de verdachte, gedateerd 10 maart 2014 (vervolgproces-verbaal (3) deelonderzoek “Marie Pampun” pagina ’s 1757 en 1758). Deze brief is door de officier van justitie ter terechtzitting van 16 april 2014 overgelegd ter voeging in het procesdossier en was al eerder als bijlage van een email aan de raadsvrouw toegestuurd. De inhoud van deze brief luidt als volgt:
“Geachte [verdachte],
Op uw verzoek vond er op 6 maart 2014 een gesprek plaats tussen u en mij in het brigadegebouw van de KMAR te Suffisant. Bij dit gesprek waren tevens aanwezig uw echtgenote [betrokkene 2] en [betrokkene 3] , opsporingsambtenaar van het KPC.
Nadat ik u had verteld dat u het recht had om te zwijgen, deelde u mij het volgende mede.
U zei bereid te zijn om volledige openheid van zaken te willen geven over de moord op Helmin Wiels en de moord op [slachtoffer] . U zou volgens u onder meer kunnen verklaren over degenen die voor de moord op de heer Wiels hebben betaald en over de opdrachtgever(s) van die moord.
In verband met uw veiligheid stelde u dat u pas zou willen verklaren over deze feiten als u de schriftelijke garantie kreeg dat u de voorlopige hechtenis waarin u zich nu bevindt en de eventuele op te leggen gevangenisstraf zou kunnen ondergaan in een voor u veilige P.I. in Nederland. Uw verklaringen zouden volgens u pas gebruikt mogen worden nadat u naar Nederland bent overgebracht naar één van de P.I. ’s van uw keuze.
Ik heb u vervolgens verteld dat ik over uw verzoek overleg diende te plegen met de Hoofdofficier van Justitie, de Procureur-Generaal en de autoriteiten in Nederland. Voorts heb ik u verteld dat wat mij betreft een overplaatsing naar Nederland pas aan de orde zou zijn nadat voldoende is gebleken dat uw verklaringen op waarheid berusten.
We spraken verder af dat we beiden de kring van de personen die op de hoogte zijn van het feit dat u opening van zaken wilt gaan geven, zo klein mogelijk houden. U gaf daarbij aan dat uw advocaat nog niet op de hoogte mag worden gebracht van één en ander.
Inmiddels is er overleg geweest met de Hoofdofficier van Justitie, de Procureur-Generaal en de autoriteiten in Nederland. Dit heeft geleid tot het volgende. […]
De Nederlandse Staatssecretaris van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, mr F. Teeven, die in Nederland verantwoordelijk is voor het gevangeniswezen, heeft schriftelijk toegezegd dat u in Nederland kunt worden opgenomen in een P.I. in het oosten van Nederland op het moment dat de Procureur-Generaal daarom verzoekt. Mondeling heeft hij de Procureur-Generaal toe gezegd dat u geplaatst zult worden in één van de P.I. ’s die u heeft aangegeven.
Hiermee is naar mijn mening voldaan aan de voorwaarden waaronder u bereid bent opening van zaken te geven. Hierbij zeg ik u toe dat de door u af te leggen verklaringen niet zullen worden gebruikt in uw strafzaak of die van uw medeverdachten voordat u in Nederland bent aangekomen.”
Deze brief is ondertekend door de officier van justitie, tevens voor gezien en akkoord getekend door de hoofdofficier van justitie en de verdachte heeft voor gezien en akkoord getekend. De officier van justitie heeft over de inhoud van de brief en over het aandachtig doorlezen en ondertekenen daarvan door de verdachte gerelateerd in zijn proces-verbaal van bevindingen (vervolg proces-verbaal (3) deelonderzoek “Marie Pampun ” pagina ’s 1754 en 1755).
Gelet op de brief en het ambtsedig opgemaakte proces-verbaal van de officier van justitie acht het Gerecht niet aannemelijk de stelling van de verdediging, dat de verdachte een toezegging heeft ondertekend, inhoudende dat het openbaar ministerie van levenslang als strafeis had afgezien.
Het Gerecht is van oordeel dat de brief van 10 maart 2014 geen ontoelaatbare toezeggingen bevat, die de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie zouden moeten meebrengen. Daartoe overweegt het Gerecht dat de verdachte een mogelijk zeer belangrijke bron van informatie was, terwijl andere betrokkenen - [betrokkene 4] en [betrokkene 5] - overleden waren. Mede in aanmerking genomen dat [betrokkene 5] in een Curaçaose politiecel is overleden, kan de toezegging tot overplaatsing naar Nederland niet als disproportioneel gezien worden, maar juist eerder als noodzakelijke veiligheidsmaatregel. Zakelijk weergegeven bevat de brief de schriftelijke garantie dat de verdachte wordt overgeplaatst naar Nederland, nadat voldoende is gebleken dat door hem af te leggen verklaringen over de moord op Helmin Wiels en over de moord op [betrokkene 4] op waarheid berusten. Niet gezegd kan worden dat hiermee de aan de verdachte op grond van artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) gewaarborgde fundamentele rechten of daaruit afgeleide beginselen van een behoorlijke procesorde zijn geschonden.
Ook dit oordeel is juist. In aanvulling daarop wordt het volgende opgemerkt.
Uit het dossier in zijn algemeenheid kan worden afgeleid dat vele als verdachte of getuige betrokkenen angst hebben te verklaren omdat zij vrezen dat dit gevolgen zal hebben voor hun persoonlijke veiligheid. Ook de verdachte vreesde in de in dit verband relevante periode tot en met 10 maart 2014 voor zijn veiligheid en die vrees is begrijpelijk te noemen. De keerzijde van de medaille is dat het openbaar ministerie het nodige moest doen om de veiligheid van de verdachte te waarborgen, geheel los van de vraag of de verdachte verklaringen zou afleggen en of die verklaringen waarheidsgetrouw zouden zijn. Niet is aangevoerd dat het openbaar ministerie dat niet of onvoldoende gedaan heeft, hetzij in de periode vóór de overplaatsing van verdachte naar Nederland, hetzij in de periode daarna, en dat is ook niet gebleken. Ook kan niet worden gezegd dat het openbaar ministerie impliciet of expliciet ermee heeft gedreigd dat het de veiligheid van de verdachte minder scherp zou bewaken, indien verdachte zou blijven weigeren te verklaren of indien verdachte verklaringen zou afleggen die in strijd met de waarheid zijn. Een dergelijke dreiging gaat redelijkerwijs ook niet uit van de passage in de brief van de officier van justitie, waarin hij meedeelt “
dat wat mij betreft een overplaatsing naar Nederland pas aan de orde zou zijn nadat voldoende is gebleken dat uw verklaringen op waarheid berusten”.
De medewerking aan, kort gezegd, de verzochte verdere tenuitvoerlegging in Nederland, nadat de verklaringen zouden zijn afgelegd en op hun waarheidsgehalte zouden zijn getoetst, levert, gelet op het voorgaande, geen normschending op.
Ad c
De eerste rechter heeft ten aanzien van dit onderdeel het volgende overwogen:
In het dossier bevindt zich een proces-verbaal van 17 juli 2014 (vervolg zaaksdossier (3) Marie Pampun, pagina ’s 1820-1821), waarin onder meer het volgende staat vermeld. Aan de getuigen [betrokkene 1] , [betrokkene 6][bedoeld zal zijn: [betrokkene 6] , D.A.]
en [betrokkene 2] zijn geldbedragen van respectievelijk NAf 3.672,50, NAf 6.752,30 en NAf 18.678,79 betaald. Door de verklaringen die deze personen hebben afgelegd, kwam hun veiligheid ernstig in het geding en waren de opsporingsautoriteiten genoodzaakt hen elders onder te brengen. De gemaakte kosten hadden onder andere betrekking op het betalen van een paspoort voor de kinderen van de getuigen, het betalen van vliegtickets, kosten voor de huur van een woning/appartement en kosten voor het voorzien in de basisbehoeften.
Het Gerecht overweegt als volgt. Het vergoeden van reis- en verblijfskosten aan getuigen vindt een juridische basis in artikel 59 van Pro de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie, nader uitgewerkt in het Landsbesluit Tarief justitiekosten strafzaken. Niet is gebleken dat de betaalde vergoedingen op meer zien dan alleen het vergoeden van de reis- en verblijfskosten in verband met de veiligheid van de getuigen. Evenmin is de conclusie gerechtvaardigd dat deze kostenvergoedingen disproportioneel zijn, gelet op het overlijden van de twee eerdergenoemde betrokkenen. De betaalde vergoedingen zijn dan ook niet ongeoorloofd.
Het Gerecht overweegt dat enig concreet aanknopingspunt voor het bestaan van een afspraak met de getuige [betrokkene 1] , dat zij belastende verklaringen zou afleggen in ruil voor het ontlopen van strafvervolging, ontbreekt. Van een normschending is derhalve niet gebleken.
Voorts is het Gerecht niet gebleken dat de getuigen [betrokkene 6] en [betrokkene 2] onder ongeoorloofde druk zijn gezet om een verklaring af te leggen. Meer of andere druk op de getuige [betrokkene 6] dan die voortvloeide uit haar aanhouding wegens een drugstransport, acht het Gerecht niet aannemelijk, mede gelet op het nagekomen ambtsedig opgemaakte proces-verbaal van 1 augustus 2014 dat zulks weerspreekt.
Ook de getuige [betrokkene 2] , echtgenote van de verdachte, is aangehouden. In verschillende processen-verbaal is gerelateerd, dat haar tijdens de verhoren gesprekken van de verdachte met andere vrouwen en verklaringen van een van die vrouwen, de getuige [betrokkene 1] , zijn voorgehouden. Dat daaruit onder meer naar voren gekomen is dat de verdachte relaties met andere vrouwen onderhield, levert naar het oordeel van het Gerecht geen ongeoorloofde druk op jegens de getuige [betrokkene 2] .
Het Gerecht acht niet aannemelijk dat aan haar ook een seks-foto van de verdachte en de getuige [betrokkene 1] is getoond. Dat wordt immers weersproken in het nagekomen op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van 5 augustus 2014, nog daargelaten of het tonen van een seks-foto ongeoorloofde druk zou opleveren. Het is te minder aannemelijk dat het is gebeurd, omdat de verdachte zelf op 25 februari 2014 heeft verklaard dat zijn vrouw hem alleen verteld had, dat de rechercheurs haar gesprekken hebben laten beluisteren waarbij te horen valt dat hij met [betrokkene 7] en [betrokkene 8] in gesprek is (vervolgproces-verbaal (3) deelonderzoek “Marie Pampun” pagina's 1751-1753). In diezelfde verklaring komt naar voren dat de verdachte “als het kan, graag naar Nederland zou willen, maar geen “deal” maakt met niemand”. Het Gerecht hecht in het licht van het voorgaande geen geloof aan het betoog van de verdachte ter terechtzitting van 4 augustus 2014, dat de grote druk die op hem is uitgeoefend eruit bestond dat de politie zijn vrouw had opgepakt en hij het voor haar heeft opgenomen. Het Gerecht verwerpt dit betoog.
Wel heeft te gelden dat het Gerecht ook de verklaringen van de getuigen met behoedzaamheid zal hanteren en de betrouwbaarheid daarvan nadrukkelijk onder ogen zal zien.
Ook dit oordeel is juist. In aanvulling daarop wordt het volgende opgemerkt.
De eerste rechter heeft bij de bespreking van dit verweer verwezen naar artikel 59 van Pro de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie, nader uitgewerkt in het Landsbesluit Tarief justitiekosten strafzaken. De verdediging heeft betoogd dat deze regelgeving geen basis biedt voor het doen van de gewraakte uitgaven. Op zichzelf is dat juist. De genoemde regelgeving ziet immers (slechts) op vergoeding van kosten die getuigen moeten maken om als getuige, bij de rechter, een verklaring af te leggen. In de onderhavige gevallen zijn echter kosten gemaakt niet met dat doel, maar in het belang van de veiligheid van de getuigen. Deze constatering laat echter onverlet dat de kosten, ook in de visie van het Hof, op goede grond - immers uit beveiligingsoogpunt - zijn gemaakt en niet zijn aan te merken als enige vorm van druk op de getuigen.
Ten aanzien van de vraag of aan de getuige [betrokkene 2] een seksfoto is getoond geldt dat in hoger beroep, desgevraagd, door de betrokken verbalisanten een aanvullend proces-verbaal is opgemaakt, gedateerd 23 januari 2015 (bundel mailwisseling in blauwe hofmap). Volgens dat proces-verbaal is een dergelijke foto aan haar niet getoond. Het Hof acht geen reden aanwezig om aan de juistheid van dat proces-verbaal te twijfelen.
Met betrekking tot de getuige [betrokkene 1] is betoogd dat het bestaan van een met haar gemaakte afspraak om (belastend) te verklaren over de verdachte blijkt uit het gegeven dat zij niet vervolgd wordt voor haar aandeel in de als feit 4 tenlastegelegde overval op de geldloper van het bedrijf [A] . Vastgesteld kan worden dat de getuige ter zake daarvan niet vervolgd is, hoewel aanwijzingen van betrokkenheid aanwezig zijn. Het in artikel 207 Sv Pro neergelegde opportuniteitsbeginsel brengt echter mee dat het aan het openbaar ministerie is om te beslissen of vervolging moet plaatsvinden. Het enkele feit dat geen vervolging plaatsvindt, hoewel aanwijzingen van betrokkenheid bestaan, kan de conclusie niet dragen dat die vervolging slechts uitblijft omdat daarover een afspraak met de getuige is gemaakt. De door de verdedigde gesuggereerde afspraak is ook overigens niet aannemelijk geworden.
Contact van de raadsvrouw met de verdachte
De eerste rechter heeft ten aanzien van dit onderdeel het volgende overwogen:
Het is niet aannemelijk geworden dat van de zijde van de opsporing en van het openbaar ministerie geprobeerd is de raadsvrouw van de verdachte buiten spel te zetten. In de periode dat de verdachte geen rechtsbijstand had, heeft hij geen verklaringen omtrent zijn betrokkenheid bij enig strafbaar feit afgelegd. Op het moment dat de verdachte bekennende verklaringen ging afleggen, wilde hij zelf niet dat zijn raadsvrouw daarvan op de hoogte werd gesteld, gelet op de brief van 10 maart 2014. Deze gang van zaken vindt bevestiging in de omstandigheid dat de verdachte, zoals onweersproken naar voren gebracht is door de officier van justitie, in de periode dat hij bekennende verklaringen aflegde wel door zijn raadsvrouw is bezocht, maar haar kennelijk niet op de hoogte heeft gesteld van de verklaringen die hij aan het afleggen was.
Wel staat vast dat de verdachte zijn bekennende verklaringen eerst heeft afgelegd nadat hij de toezegging had gekregen dat hij de voorlopige hechtenis en een eventuele gevangenisstraf in een penitentiaire inrichting in Nederland zou kunnen ondergaan, terwijl hij geen overleg met zijn raadsvrouw heeft gevoerd over het afleggen van een bekentenis. Deze vaststellingen brengen mee dat het Gerecht de bekennende verklaringen van de verdachte, waarop hij later is teruggekomen, met behoedzaamheid zal hanteren en de betrouwbaarheid daarvan nadrukkelijk onder ogen zal zien.
Dit oordeel is juist.
In hoger beroep zijn de stellingen door de verdediging niet nader of anders toegelicht dan in eerste aanleg. Aanvullende motivering van het oordeel is daarom niet nodig.
Er zijn dus geen normschendingen gebleken. Het Gerecht in eerste aanleg heeft het openbaar ministerie terecht ontvankelijk geacht in de vervolging.”
6. Het
eerste middelklaagt over de verwerping van een ontvankelijkheidsverweer. De toelichting op het middel behelst (echter) klachten die in de kern zijn gericht tegen het oordeel dat de verdachte “
ondubbelzinnig, desbewust en vrijwillig” afstand heeft gedaan van zijn recht op rechtsbijstand voordat hij bekennende verklaringen heeft afgelegd.
7. Verweren die zijn gestoeld op het ontbreken van rechtsbijstand zonder dat een verdachte van die rechtsbijstand ondubbelzinnig afstand heeft gedaan, plegen – indien gegrond – te leiden tot bewijsuitsluiting van de (bekennende) verklaringen die aldus tot stand zijn gekomen. Het verweer over het verzaken van rechtsbijstand in de voorliggende zaak strekte evenwel tot een verdergaande sanctie: de niet-ontvankelijkverklaring van het OM. Deze constatering is van belang voor het toetsingskader waartoe het middel aanleiding geeft. Indien het middel kans van slagen wil hebben, zal het in vervolg op een verweer duidelijk moeten maken om welke reden niet kan worden volstaan met de eventuele bewijsuitsluiting als sanctie op het gestelde vormverzuim. De enkele reden dat de verdachte bij bewijsuitsluiting geen baat zou hebben omdat ook zonder zijn bekentenissen de bewezenverklaring toereikend kan worden geschraagd, zal in het algemeen niet zo’n reden kunnen zijn. Het sanctioneren van vormverzuimen strekt er immers op zichzelf niet toe een verdachte te begunstigen.
8. Voorop staat dat de niet-ontvankelijkverklaring van het OM in de vervolging slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking komt. [1] Nu in het middel onvoldoende is uiteengezet dat en om welke reden zich thans zo’n uitzonderlijk geval voordoet, moet het middel reeds falen.
9. Niettemin bespreek ik een meer beperkte klacht die in de toelichting op het middel wordt aangevoerd. Het Hof zou een onjuiste maatstaf hebben aangelegd door – kort gezegd – het zogenoemde Zwolsmancriterium te hanteren, terwijl als het gaat om het “
willekeurverbod”, de strafrechter “
uitsluitend” dient te onderzoeken of zich de situatie voordoet dat geen redelijk oordelend lid van het OM tot het instellen of voortzetten van de vervolging had kunnen besluiten, c.q. of de vervolgingsbeslissing blijk geeft van “
aperte” onevenredigheid, aldus de toelichting op het middel. [2]
10. Deze deelklacht faalt om meer redenen. In de toelichting op het middel wordt verondersteld dat ter terechtzitting een beroep is gedaan op een schending van het verbod op willekeur, “h
etgeen hier door de raadsman via een beroep op het onzorgvuldig handelen van het openbaar ministerie aan de orde is gesteld”, aldus de steller van het middel. Hetgeen door de verdediging ter terechtzitting is aangevoerd heeft het Hof echter kennelijk en niet-onbegrijpelijk
nietopgevat als een beroep op een schending van het verbod op willekeur. De deelklacht dat bij de verwerping van een verweer een onjuiste maatstaf zou zijn aangelegd, mist dus feitelijke grondslag.
11. Het Hof heeft in de tweede plaats vastgesteld dat “
van normschending(en) niet is gebleken” en daarbij overwogen dat de door de verdediging bepleite uitbreiding van de aan te leggen maatstaf daarom buiten verdere bespreking kan worden gelaten. Hiermee heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat het aanleggen van een andere maatstaf niet tot een andere uitkomst zou hebben geleid. Dat oordeel is verweven met waarderingen van feitelijke aard, is allerminst onbegrijpelijk en getuigt bovendien niet van een onjuiste rechtsopvatting. Ook om die reden faalt de deelklacht.
12. Dan kom ik toe aan wat ik zie als de kern van de in het middel opgenomen klachten. Zij zijn gericht tegen ‘s Hofs oordeel dat de verdachte “
ondubbelzinnig, desbewust en vrijwillig” afstand heeft gedaan van het recht op rechtsbijstand voordat hij bekennende verklaringen heeft afgelegd. Deze klachten richten zich tegen de begrijpelijkheid en de motivering van dit oordeel.
13. Het in de toelichting opgenomen betoog behelst de volgende argumenten:
(1) de officier van justitie heeft aan de verdachte voorgehouden “
dat hij zijn strafeis (van levenslange gevangenisstraf) zou kunnen veranderen, als verzoeker zou gaan verklaren in wiens opdracht hij het gedaan heeft c.q. Wiels en [B] vermoord heeft”;
(2) de officier van justitie heeft misbruik gemaakt van de situatie waarin de verdachte geen rechtsgeleerde bijstand genoot, als gevolg waarvan de verdachte de subtiliteit van het aanbod niet heeft kunnen doorzien;
(3) het stond de officier van justitie niet vrij (althans niet zonder meer) om
enkel op verzoek van de verdachtemet uitsluiting van de raadsvrouw zaken te doen met de verdachte;
(4) het stond de officier van justitie niet vrij rechtstreeks en met uitsluiting van de raadsvrouw onderhandelingen te voeren met de verdachte “
zolang de raadsman[lees: raadsvrouw, D.A.]
zich niet heeft teruggetrokken”;
(5) de verdachte is een 33-jarige, relatief ongeschoolde man;
(6) de vaststelling dat de verdachte “
ervaringsdeskundige” is, maakt een en ander niet anders, omdat niet kan blijken dat de verdachte eerder wegens moord is vervolgd of een deal van deze omvang en strekking met het OM heeft gesloten. Tegen deze achtergrond is de omstandigheid dat de verdachte zelf te kennen heeft gegeven dat zijn advocaat nog niet op de hoogte mag worden gebracht van een en ander “
onvoldoende om aan te nemen dat de afstand van rechtsbijstand ondubbelzinnig, desbewust en vrijwillig is gedaan”. [3]
14. In het door het Hof bevestigde vonnis van het gerecht in eerste aanleg van Curaçao, is onder 9 tot het bewijs gebruik gemaakt van een op 11 maart 2014 door de verdachte afgelegde bekennende verklaring. Daarbij werd de verdachte niet door een advocaat bijgestaan. Dit was enkele dagen nadat de verdachte op 6 maart 2014 te kennen had gegeven verklaringen te willen afleggen indien aan bepaalde voorwaarden zou zijn voldaan, en een dag nadat daarover overeenstemming was bereikt met officier van justitie mr. G.H. Rip. De mede door de verdachte voor akkoord ondertekende brief van 10 maart 2014, die het Hof in zijn overwegingen integraal heeft weergegeven, geeft van een en ander blijk.
15. In zijn vonnis heeft het Hof uiteengezet dat en op welke gronden het van oordeel is dat de verdachte uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van zijn recht op rechtsbijstand. De al genoemde brief van 10 maart 2014 wijst uit dat de verdachte een duidelijke en begrijpelijke reden heeft gegeven waarom hij niet wilde dat zijn raadsvrouw op de hoogte werd gesteld van zijn voornemen om bekennende verklaringen af te leggen: hij bevond zich in een onveilige situatie en wilde om veiligheidsredenen de kring van personen die van zijn voornemen kennis zouden dragen, zo klein mogelijk houden. Het Hof wijst er bovendien op dat de verdachte in de periode dat hij bekennende verklaringen heeft afgelegd wel degelijk contact heeft gehad met zijn raadsvrouw. Hij heeft er dus voor gekozen zijn raadsvrouw ook bij die gelegenheid in het ongewisse te laten over zijn bekentenissen, zo begrijp ik het Hof. [4]
16. Op al deze punten verschilt de onderhavige zaak van de strafzaak die leidde tot Uw arrest van 17 november 2009, [5] waarop in de toelichting op het middel een beroep wordt gedaan. In de thans voorliggende zaak heeft het Hof allereerst doen blijken onder ogen te hebben gezien of de verdachte voor een onderdeel van de strafvervolging “
ondubbelzinnig, desbewust en vrijwillig [6] afstand heeft gedaan van zijn recht op rechtsbijstand. ’s Hofs overwegingen wijzen bovendien uit dat het Hof zich rekenschap heeft gegeven van de vraag of de verdachte de draagwijdte van zijn keuze ten volle heeft kunnen overzien. [7] Daartoe heeft het Hof de begrijpelijkheid van verdachtes motieven in ogenschouw genomen.
17. Ten slotte komt de steller van het middel in de toelichting terug op de kwestie van een eventuele toezegging van het OM over de hoogte van de strafeis. Als ik het goed begrijp wordt thans in cassatie niet (meer) volgehouden dat het OM daadwerkelijk heeft toegezegd geen levenslange gevangenisstraf te zullen eisen. Het is de vaagheid van de toezegging ter zake (te weten “
dat zijn strafeis zou kunnen veranderen als de verdachte zou verklaren …”) die volgens de steller van het middel het belang van goede rechtsbijstand onderstreept. Daarvan is de verdachte de facto verstoken gebleven. “
Het is evident dat voor een gemiddelde burger, die niet juridisch geschoold is, de slag om de arm die de officier van justitie in zijn bewoordingen toepast, onvoldoende helder tot uitdrukking brengt dat verandering van de strafeis van levenslang slechts een optie is, die op ieder willekeurig moment van tafel kan zijn,” aldus de steller van het middel, die met name wijst op het misleidende karakter van de mededelingen van de officier van justitie.
18. De bezwaren tegen de afstand van rechtsbijstand richten zich (overwegend) tegen de vaagheid van de toezegging die door het OM zou zijn gedaan alvorens de verdachte tot het afleggen van die verklaringen is overgegaan. Als een advocaat aanwezig was geweest bij het tot stand komen van de overeenkomst tussen de verdachte en het OM, zo is de veronderstelling, dan had de advocaat de verdachte beter beschermd of een betere toezegging losgekregen. Deze indruk wordt nog versterkt door de feiten en omstandigheden die in de toelichting op het middel worden aangevoerd om aan te geven dat en waarom het Hof niet had mogen aannemen dat de verdachte “
desbewust en vrijwillig” afstand heeft gedaan. In feite zijn dat evenzovele redenen waarom de verdachte naar het oordeel van de steller van het middel in zijn belang beter geen afstand had kunnen doen van het recht op rechtsbijstand omdat hij uiteindelijk – ondanks de beweerde toezegging – tot een levenslange gevangenisstraf is veroordeeld. Al deze bezwaren betekenen echter niet dat het oordeel van het Hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en maken dat oordeel evenmin onbegrijpelijk.
19. Het middel faalt.
20. De toelichting op het
tweede middel maakt duidelijk dat het middel in de kern opkomt tegen de verwerping van het verweer dat de verdachte is gaan bekennen onder druk van getuigenverklaringen die tot die verklaringen zijn gekomen “
onder invloed van door de politie en/of openbaar ministerie op hen uitgeoefende ontoelaatbare druk”. Het gaat met name om de druk die is uitgeoefend op de echtgenote van de verdachte, zulks doordat aan haar door de politie gesprekken zijn voorgehouden die de verdachte compromitteren en twijfel oproepen aan zijn huwelijkstrouw.
21. Het gerecht in eerste aanleg van Curaçao en het Hof hebben het verweer – dat de verdachte is gaan bekennen onder druk van getuigenverklaringen die tot die verklaringen zijn gekomen “
onder invloed van door de politie en/of openbaar ministerie op hen uitgeoefende ontoelaatbare druk” – verworpen en daarbij overwogen zoals hierboven onder 5 is weergegeven. De steller van het middel verwijst in het bijzonder naar de volgende passage uit de overwegingen van het gerecht in eerste aanleg, die ik hier voor het leesgemak nogmaals weergeef:
“Ook de getuige [betrokkene 2] , echtgenote van de verdachte, is aangehouden. In verschillende processen-verbaal is gerelateerd, dat haar tijdens de verhoren gesprekken van de verdachte met andere vrouwen en verklaringen van een van die vrouwen, de getuige [betrokkene 1] , zijn voorgehouden. Dat daaruit onder meer naar voren gekomen is dat de verdachte relaties met andere vrouwen onderhield, levert naar het oordeel van het Gerecht geen ongeoorloofde druk op jegens de getuige [betrokkene 2] .”
22. De steller van het middel betoogt dat op basis van deze overweging in cassatie mag worden aangenomen dat de recherche zonder rechtvaardiging inbreuk heeft gemaakt op de door art. 8 EVRM Pro beschermde privacy van de verdachte en dat aldus op een getuige ongeoorloofde druk is uitgeoefend teneinde bewijsmateriaal te verkrijgen.
23. Ook het tweede middel klaagt over de verwerping van een verweer dat strekt tot de niet-ontvankelijkverklaring van het OM. Het middel faalt reeds omdat onvoldoende is uiteengezet dat en waarom sprake zou zijn van een uitzonderlijk geval waarin het OM niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
24. Bovendien neemt het middel feiten ten grondslag die in cassatie allerminst vaststaan. Het Hof heeft (de overweging van het gerecht in eerste aanleg bevestigend)
nietvastgesteld dat de recherche de compromitterende gesprekken aan de getuige uitsluitend heeft voorgehouden in een poging haar te bewegen om belastende verklaringen af te leggen tegen haar (overspelige) echtgenoot, de verdachte.
25. Het middel faalt om meer redenen.
26. Het
derde middelbehelst de klacht dat het Hof het opleggen van de levenslange gevangenisstraf onvoldoende heeft gemotiveerd. Ten eerste zou het Hof er, bij het bepalen van de op te leggen straf, ten onrechte van zijn uitgegaan dat op de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf het bepaalde in artikel 1:30 Sr Pro Curaçao van toepassing is. Ten tweede zou de opgelegde levenslange gevangenisstraf, ook indien op de tenuitvoerlegging ervan het bepaalde in artikel 1:30 Sr Pro Curaçao van toepassing zou zijn, in strijd komen met het bepaalde in artikel 14, vijfde lid, IVBPR aangezien geen rechtsmiddel openstaat tegen de op grond van artikel 1:29 Sr Pro Curaçao te geven beslissing van het Hof of de “
verdere onvoorwaardelijke tenuitvoerlegging” van de levenslange gevangenisstraf “
geen redelijk doel meer dient”. Om dezelfde reden zou de levenslange gevangenisstraf in strijd zijn met het bepaalde in artikel 3 EVRM Pro.
27. Het gerecht in eerste aanleg van Curaçao heeft met betrekking tot de op te leggen straf als volgt overwogen, waarbij ik twee voetnoten heb weggelaten:
“De verdachte heeft over de periode van één jaar drie mannen in koelen bloede, tegen betaling van geld, doodgeschoten en hij heeft onder bedreiging met een vuurwapen een geldloper overvallen. Alle drie de moorden hebben het karakter van een liquidatie, waarbij de slachtoffers meedogenloos zijn afgemaakt. De verdachte heeft daarmee in de eerste plaats de slachtoffers hun kostbaarste bezit, het leven, ontnomen. Voorts heeft hij dierbaren op schokkende en beangstigende wijze uit het leven van de nabestaanden weggerukt. De verdachte heeft kennelijk geen respect voor het menselijk leven, maar enkel oog voor eigen financieel gewin.
Bovendien heeft de verdachte met Helmin Wiels een volksvertegenwoordiger vermoord, die gelet op de verkiezingsuitslag een significant deel van de bevolking vertegenwoordigde en die leider was van de politieke partij Pueblo Soberano. Als politieke implicatie van die moord kan in ieder geval worden vastgesteld, dat de partij haar leider kwijt is geraakt en de kiezers hun volksvertegenwoordiger. In het algemeen, binnen Curaçao maar ook daarbuiten, heeft de moord de rechtsorde zeer ernstig geschokt.
Het Gerecht heeft ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden en de persoonlijkheid van de verdachte beperkte informatie van deskundigen. De gewapende overval past in het beeld dat van de verdachte oprijst uit zijn strafblad en uit het Vroeghulprapport van de Reclassering, namelijk dat hij van jongs af aan in het criminele circuit zijn geld heeft verdiend. De verdachte komt op het Gerecht over als iemand met veel eigendunk. Dat komt tot uitdrukking in de ingesproken berichten (voicenotes) van de verdachte, waarin hij meermalen opschept en vertelt over zijn misdaden. Behalve dat hij volgens de getuige [betrokkene 1] huilend over de moord op Helmin Wiels zou hebben verteld, heeft de verdachte er nimmer blijk van gegeven last te hebben van gewetenswroeging. Ook lijkt de verdachte in het ter terechtzitting afgespeelde studioverhoor van 14 november 2014 allerminst onder de indruk van een mogelijke eis van levenslange gevangenisstraf. De verdachte heeft overigens de terechtzitting met name aangegrepen om de politie en de officier van justitie te betichten van vieze spelletjes. Het Gerecht zal de proceshouding van de verdachte niet in zijn voordeel meewegen, ook al is zijn bekennende verklaring bij de politie gebruikt voor het bewijs. Het Gerecht is van oordeel dat de verdachte toen niet volledige opening van zaken heeft gegeven, het Gerecht heeft twijfels aan het waarheidsgehalte op onderdelen en de verdachte heeft ten slotte ter terechtzitting ontkend. Van groot belang acht het Gerecht dat de verdachte geen spijt heeft betuigd en dat hij ervoor gekozen heeft om geen verantwoording af te leggen. Daaruit concludeert het Gerecht, net als uit de bewezenverklaarde daden van de verdachte, dat hij geen mededogen toont voor de slachtoffers.
Vergelding voor de hoeveelheid en de ernst van de feiten kan naar het oordeel van het Gerecht enkel voldoende verwezenlijkt worden door de maximale wettelijke straf op te leggen, levenslange gevangenisstraf.
Bovendien beschouwt het Gerecht de verdachte als meedogenloos, gewetenloos en zonder meer in staat - ook na ommekomst van langdurige gevangenisstraf - tot het wederom plegen van moord. De maatschappij moet worden beschermd tegen het gevaar dat de verdachte recidiveert door hem levenslange gevangenisstraf op te leggen.
Het Gerecht heeft in zijn overwegingen het volgende betrokken. Levenslange gevangenisstraf duurt letterlijk levenslang. Ingevolge artikel 1:30 van Pro het Wetboek van Strafrecht wordt de veroordeelde nadat de vrijheidsbeneming ten minste twintig jaren heeft geduurd echter voorwaardelijk in vrijheid gesteld, indien naar het oordeel van het Hof verdere onvoorwaardelijke tenuitvoerlegging geen redelijk doel meer dient. Daarbij neemt het Hof ten minste in zijn beschouwing de positie van de directe nabestaanden van de slachtoffers en het gevaar dat de veroordeelde alsnog zal recidiveren. Deze toets na twintig jaren en zo nodig iedere vijfjaren daarna moet ook uitgevoerd worden indien de verdachte de gevangenisstraf ondergaat in Nederland.”
28. In aanvulling hierop heeft het Gemeenschappelijk Hof met betrekking tot de op te leggen straf nog het volgende overwogen:
“Het Hof hanteert als uitgangspunt dat mensen kunnen veranderen, zeker op de lange duur. Dat geldt ook voor de verdachte. Echter is ook aan het Hof bij het onderzoek in hoger beroep geen begin gebleken van enige verandering ten goede in de opstelling van de verdachte. Hij heeft ook in hoger beroep niet willen meewerken aan persoonlijkheidsonderzoek, zonder dat te willen toelichten. Zijn verklaring op zitting dat hij rekening houdt met de gevoelens van nabestaanden is als geenszins authentiek overgekomen. Het Hof heeft geen spoor van beginnend zelfinzicht bij de verdachte kunnen ontdekken.
De eerste rechter heeft overwogen dat de ingevolge artikel 1:30 Wetboek Pro van Strafrecht (Sr) uit te voeren toets van een opgelegde levenslange gevangenisstraf na twintig jaar en zo nodig iedere vijf jaar daarna ook dient te worden uitgevoerd indien die straf in Nederland ten uitvoer wordt gelegd. De procureur-generaal heeft dit bestreden. Daargelaten dat thans onzeker is waar de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf gedurende (gedeelten van) de eerste twintig jaar daarvan en, eventueel, aansluitende (gedeelten van) periodes van vijfjaar zal plaats vinden geldt het volgende.
De procureur-generaal baseert zijn standpunt kennelijk op de “Onderlinge regeling als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden, regelende de samenwerking tussen Aruba, Curaçao, Sint Maarten en Nederland op het gebied van de overdracht van personen aan wie rechtens hun vrijheid is ontnomen op grond van een veroordeling tot een vrijheidsstraf” (Staatscourant 1 juli 2014, nr. 17853). In artikel 7 van Pro die regeling is bepaald:
“1. Overdracht van de tenuitvoerlegging in de zin van deze regeling heeft tot gevolg dat het aangezochte land het recht tot tenuitvoerlegging van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf verkrijgt. Dit behelst alle ten aanzien van de tenuitvoerlegging relevante bevoegdheden en verantwoordelijkheden.
2. (...)”
Blijkens de toelichting op dit artikel is aldus een volledige overdracht van de tenuitvoerlegging beoogd en wel in die zin, dat de veroordeelde na overdracht volledig zal vallen onder de rechtsmacht van het aangezochte land, hetgeen, volgens deze toelichting, betekent dat regelgeving en procedures van dat aangezochte land op het gebied van bijvoorbeeld detentie, gratie en voorwaardelijke invrijheidstelling onverkort op de veroordeelde van toepassing zijn.
De genoemde onderlinge regeling betreft een door de betrokken ministers van de landen getroffen onderlinge regeling. Die regeling kan niet afdoen aan het in deze zaak toepasselijke artikel 1:30 Sr Pro, een bepaling uit de wet in formele zin, waarin het recht van de veroordeelde op een toets en tevens de verplichting voor het openbaar ministerie om de veroordeelde daartoe te dagvaarden, is neergelegd. Uit de toelichting op de onderlinge regeling blijkt ook niet dat een afwijking van die wetsbepaling beoogd is. Dat maakt dat het Hof tot uitgangspunt neemt dat tenuitvoerlegging van de op te leggen levenslange gevangenisstraf zal geschieden met inachtneming van het in artikel 1:30 Sr Pro wettelijk verankerde recht op een toets daarvan na twintig jaar en zo nodig iedere vijf jaar daarna.”
29. De eerste klacht die het middel bevat, heeft betrekking op de tenuitvoerlegging van de in deze zaak in Curaçao opgelegde levenslange gevangenisstraf in Nederland. Aangevoerd wordt dat op de tenuitvoerlegging van die levenslange gevangenisstraf de Nederlandse regelgeving van toepassing is en niet langer de Curaçaose regelgeving, zoals die is neergelegd in de artikelen 1:29 en 1:30 Sr Curaçao. Voor dit standpunt wordt verwezen naar de in de Staatscourant van 1 juli 2014, nr. 17853 gepubliceerde
Onderlinge regeling als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden, regelende de samenwerking tussen Aruba, Curaçao, Sint Maarten en Nederland op het gebied van de overdracht van personen aan wie rechtens hun vrijheid is ontnomen op grond van een veroordeling tot een vrijheidsstraf(hierna: de Onderlinge regeling van 1 juli 2014,
Stcrt. 17853). [8]
30. De klacht berust op twee veronderstellingen. De eerste veronderstelling is dat de levenslange gevangenisstraf in Nederland ten uitvoer zal worden gelegd. De tweede veronderstelling is dat het Hof, bij het bepalen van de op te leggen straf, ten onrechte tot uitgangspunt heeft genomen dat op de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf het bepaalde in artikel 1:30 Sr Pro Curaçao van toepassing is.
31. Uit de strafmotivering kan niet volgen dat bij het opleggen van de levenslange gevangenisstraf voor het Hof de doorslag gaf onder welk regime deze straf ten uitvoer zou worden gelegd. De beslissing tot het opleggen van de levenslange gevangenisstraf wordt zelfstandig gedragen door de overweging dat de verdachte uit financieel gewin drie liquidaties heeft uitgevoerd waaronder die van de politicus Wiels, hetgeen de rechtsorde zeer ernstig heeft geschokt. Het Hof heeft hieraan onder meer toegevoegd dat geen begin is gebleken van enige verandering ten goede in de opstelling van de verdachte en dat het Hof geen spoor van beginnend zelfinzicht bij de verdachte heeft kunnen ontdekken.
32. De overwegingen met betrekking tot de toepasselijkheid van artikel 1:30 Sr Pro Curaçao zijn naar mijn inzicht daarentegen ten overvloede gegeven. De eerste klacht kan reeds om die reden niet tot cassatie leiden. Uit de strafmotivering kan slechts blijken dat ter terechtzitting van het Hof discussie heeft bestaan over de toepasselijkheid van artikel 1:30 Sr Pro Curaçao.
33. Voor het geval Uw Raad mij hierin niet wenst te volgen, zal ik nader ingaan op de vraag of de twee hierboven geschetste veronderstellingen juist zijn.
34. Bij de bespreking van het eerste middel kwam naar voren dat de verdachte zijn voorlopige hechtenis ten dele in Nederland heeft ondergaan. Ten behoeve van de behandeling van de zaak in hoger beroep, is hij naar Curaçao teruggebracht. Ten tijde van de behandeling van het beroep in cassatie, is de verdachte wederom in Nederland gedetineerd. Bij de stukken die aan de Hoge Raad zijn gezonden, heb ik geen documenten aangetroffen waaruit de grondslag valt op te maken voor de tenuitvoerlegging van de detentie in Nederland. Evenmin heb ik enige op papier gestelde beslissing daarover aangetroffen. Het is dus minstgenomen kwestieus of de verdachte zijn straf in Nederland zal ondergaan.
35. De tweede veronderstelling is dat op de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf in Nederland, zoals die aan de verdachte is opgelegd,
zonder meerde hierboven genoemde Onderlinge regeling overdracht veroordeelden van toepassing is. Die opvatting is onjuist. De Onderlinge regeling van 1 juli 2014,
Stcrt. 17853 kan pas worden toegepast indien de veroordeling onherroepelijk is (artikel 3, eerste lid onder c). Ook indien de veroordeling onherroepelijk zou zijn, wordt de tenuitvoerlegging ervan niet zonder meer beheerst door de Onderlinge regeling van 1 juli 2014,
Stcrt. 17853. De Onderlinge regeling van 1 juli 2014,
Stcrt. 17853 heeft namelijk uitsluitend betrekking op het geval dat de veroordeelde een aanvraag tot overdracht heeft ingediend (artikel 2, tweede lid).
36. Indien de verdachte op basis van de Onderlinge regeling van 1 juli 2014,
Stcrt. 17853 uiteindelijk zijn vrijheidsstraf in Nederland zou ondergaan, dan is voorgeschreven dat het aangezochte land (in dit geval zou dat Nederland zijn) “
het recht tot tenuitvoerlegging van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf krijgt. Dit behelst alle ten aanzien van de tenuitvoerlegging relevante bevoegdheden en verantwoordelijkheden.” Hetgeen aldus in artikel 7, eerste lid, is bepaald, is als volgt toegelicht:
Artikel 7 legt Pro vast dat een overdracht van de tenuitvoerlegging in de zin van deze regeling een volledige overdracht behelst. Na overdracht zal de veroordeelde dan ook volledig vallen onder de rechtsmacht van het aangezochte land, hetgeen betekent dat regelgeving en procedures van dat aangezochte land op het gebied van bijvoorbeeld detentie, gratie en voorwaardelijke invrijheidsstelling onverkort op hem van toepassing zijn.” [9]
37. Met betrekking tot de Onderlinge regeling van 1 juli 2014,
Stcrt. 17583 heeft Reijntjes opgemerkt dat de regeling niet voorziet in ambtshalve overdracht, zonder instemming van de veroordeelde, maar dat de regeling deze evenmin geheel uitsluit. Hij wijst echter ook op de toelichting waarin wordt opgemerkt dat artikel 1 wil Pro voorkomen dat “
volledige overdracht van de tenuitvoerlegging op grond van overwegingen aan het resocialisatiebelang van de individuele veroordeelde ontleend plaatsvindt op wijzen die niet in deze regeling zijn omschreven.” Reijntjes betoogt, zich hierbij aansluitend, het volgende:
“Hieruit lijkt te kunnen worden afgeleid dat aan definitieve overdracht om veiligheidsredenen, of omdat de veroordeelde zich binnen de gevangenispopulatie niet prettig voelt, een eind is gekomen; zij kan alleen nog worden gebaseerd op de Onderlinge regeling detentie, die alleen in tijdelijke overdracht voorziet. Onvrijwillige overdracht kan hierdoor ook geen definitief karakter meer dragen.” [10]
38. In cassatie is geen beroep gedaan op een andere Onderlinge regeling op grond waarvan de verdachte zijn gevangenisstraf in Nederland zou kunnen ondergaan. Dat betreft de Onderlinge regeling als bedoeld in artikel 38, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden regelende de samenwerking tussen Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten op het gebied van de onderlinge beschikbaarheid van detentiecapaciteit op medische gronden of in verband met dringende redenen van veiligheid,
Stcrt. 2014 nr. 17851 (1 juli 2014). In die regeling is de instemming van de veroordeelde om voor de hand liggende redenen niet als voorwaarde gesteld. Ook in deze regeling is, in artikel 5, eerste lid, bepaald dat de overdracht van een gedetineerd tot gevolg heeft “
dat de verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging van de detentie van de betrokkene wordt overgedragen aan het aangezochte land.” De Onderlinge regeling voorziet in een overdracht voor bepaalde tijd en niet voor een volledige overdracht van de tenuitvoerlegging. In artikel 4, eerste lid, is bepaald dat de gedetineerde “
zo spoedig mogelijk” terugkeert naar het land waarin het bevel tot voorlopige hechtenis is gegeven of de vrijheidsstraf is opgelegd, “
doch in ieder geval binnen een termijn van zes maanden vanaf het tijdstip van onderbrenging”. Indien dringende redenen van veiligheid daartoe nopen, kan de termijn telkens met zes maanden worden verlengd (artikel 4, derde lid).
39. Andere Onderlinge regelingen voorzien, voor zover ik heb kunnen nagaan, niet in de mogelijkheid om een in Curaçao opgelegde gevangenisstraf in Nederland ten uitvoer te leggen. Niettegenstaande de titel, geldt dat ook voor de Onderlinge regeling als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden, regelende de samenwerking tussen Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten op het gebied van de onderlinge beschikbaarstelling van detentiecapaciteit,
Stcrt. 2014, nr. 3557 (11 februari 2014). De toepasselijkheid van deze regeling beperkt zich namelijk wat betreft Nederland tot de detentiecapaciteit op Bonaire, Sint Eustatius en Saba (artikel 1, derde lid). [11]
40. Rest nog de Onderlinge regeling als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden regelende de samenwerking tussen Nederland, Curaçao en Sint Maarten ten behoeve van het transport van gedetineerden tussen Bonaire, Sint Eustatius en Saba,
Stcrt. 2014, nr. 3558 (11 februari 2014). [12] Ook deze is niet van toepassing op de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf in Nederland.
41. Een geheel andere grondslag voor de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf in Nederland zou nog geboden kunnen worden door artikel 40 Statuut Pro. Dat luidt als volgt:
“Vonnissen, door de rechter in Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten gewezen, en bevelen, door hem uitgevaardigd, mitsgaders grossen van authentieke akten, aldaar verleden, kunnen in het gehele Koninkrijk ten uitvoer worden gelegd, met inachtneming van de wettelijke bepalingen van het land, waar de tenuitvoerlegging plaats vindt.”
42. Artikel 40 Statuut Pro berust op de gedachte “
dat het Koninkrijk voor wat betreft de vatbaarheid voor tenuitvoerlegging van binnen het Koninkrijk gegeven rechterlijke uitspraken, als een rechtsgebied moet worden beschouwd” en “
brengt naar zijn strekking mee dat de rechtskracht van deze uitspraken in alle delen van het Koninkrijk gelijk is, niet alleen voor wat betreft de vatbaarheid voor tenuitvoerlegging, maar ook voor wat betreft bindende kracht en bewijskracht. [13]
43. Uit de bepaling dat de vonnissen ten uitvoer worden gelegd “
met inachtneming van de wettelijke bepalingen van het land, waar de tenuitvoerlegging plaats vindt” moet echter worden opgemaakt dat de Nederlandse wettelijke bepalingen van toepassing zijn en niet de wettelijke bepalingen van Curaçao. [14]
44. Kortom, welke thans bestaande regeling ook van toepassing zou zijn op de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf: alle voorzien in de toepasselijkheid van het recht van het land waar de tenuitvoerlegging plaats vindt. In zoverre getuigt het oordeel van het Hof van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de toepasselijkheid van het bepaalde in artikel 1:30 Sr Pro Curaçao. Tot cassatie kan dit niet leiden, zoals gezegd, omdat het bestreden oordeel een overweging ten overvloede betreft en de oplegging van de levenslange gevangenisstraf door de strafmotivering volledig wordt gedragen.
45. De eerste klacht van het middel kan niet tot cassatie leiden.
46. Resteert de tweede klacht die inhoudt dat de opgelegde levenslange gevangenisstraf, ook indien op de tenuitvoerlegging ervan het bepaalde in artikel 1:30 Sr Pro Curaçao van toepassing zou zijn, in strijd zou komen met het bepaalde in artikel 14, vijfde lid, IVBPR omdat geen rechtsmiddel openstaat tegen de op grond van artikel 1:29 Sr Pro Curaçao te geven beslissing van het Hof over de vraag of de “
verdere onvoorwaardelijke tenuitvoerlegging” van de levenslange gevangenisstraf “
geen redelijk doel meer dient”. Om dezelfde reden zou de levenslange gevangenisstraf in strijd zijn met het bepaalde in artikel 3 EVRM Pro.
47. Omwille van de discussie neem ik hierna tot uitgangspunt dat op de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf de artikelen 1:29 en 1:30 Sr Curaçao van toepassing zijn, bijvoorbeeld omdat de levenslange gevangenisstraf op Curaçao ten uitvoer wordt gelegd.
48. Het eerste onderdeel van de tweede klacht verwijst naar het bepaalde in artikel 14, vijfde lid, IVBPR. Daarin is “
the right to his conviction and sentences being reviewed by a higher tribunal according to law” verankerd. Op deze grondslag kan de klacht echter niet slagen. Beslissingen omtrent de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de straf vallen buiten het bereik van deze voorziening. [15] Bovendien komt aan het in artikel 14, vijfde lid, IVBPR gegarandeerde recht naar het oordeel van de Hoge Raad geen rechtstreekse werking toe, zodat daarop niet met succes een beroep kan worden gedaan. [16]
49. Het onderdeel van de klacht dat gegrond is op artikel 3 EVRM Pro faalt eveneens. Vanuit het perspectief van artikel 3 EVRM Pro volstaat de mogelijkheid dat de levenslange gevangenisstraf
de jureen
de factokan worden verminderd. [17] De eis dat een rechtsmiddel kan worden ingesteld tegen de beslissing over de eventuele verkorting van de levenslange gevangenisstraf, kan echter niet uit artikel 3 EVRM Pro worden afgeleid. In zoverre merk ik ten overvloede op dat ook indien geen rechtsmiddel openstaat tegen de beslissing die het Hof heeft te nemen op grond van de in art. 1:30 Sr Pro Curaçao neergelegde regeling, gratie kan worden verleend en het oordeel van de burgerlijke rechter kan worden ingeroepen omtrent de rechtmatigheid van de (verdere) tenuitvoerlegging van die levenslange gevangenisstraf. [18]
50. Het middel faalt in alle onderdelen.
51. De middelen falen. Het eerste en tweede middel, alsmede de tweede klacht van het derde middel, kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
52. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
53. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG.

Voetnoten

1.HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533,
2.Onder verwijzing naar HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4280,
3.Onder verwijzing naar HR 17 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI2315,
4.Terzijde merk ik op dat het voor de verdachte niet ongewoon was om beslissingen te nemen zonder voorafgaand overleg met zijn raadsvrouw. Ik wijs op verdachtes afwezigheid ter terechtzitting van 1 april 2015. De afstandverklaring houdt het volgende in: “
6.Ik citeer Uw Raad ter zake. Het komt mij voor dat het begrip ‘afstand doen’ impliceert dat het
7.HR 17 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI2315,
8.Art. 38, eerste en tweede lid, Statuut luiden als volgt: “
10.J.M. Reijntjes,
11.Met deze Onderlinge regeling werd ingetrokken (art. 7) de Onderlinge regeling als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden regelende de samenwerking tussen Curaçao, Sint Maarten en Nederland op het gebied van de onderlinge beschikbaarstelling van detentiecapaciteit,
12.Toelichting,
13.HR 14 januari 1994,
14.Zie over art. 40 Statuut Pro o.a. E.J. Hofstee & T.M. Schalken,
15.HR 6 januari 1998,
16.HR 14 april 1980,
17.HR 16 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF3741,
18.HR 16 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF3741,