Conclusie
Onafhankelijk Volk”).
Ontvankelijkheid
dat wat mij betreft een overplaatsing naar Nederland pas aan de orde zou zijn nadat voldoende is gebleken dat uw verklaringen op waarheid berusten”.
en [betrokkene 2] zijn geldbedragen van respectievelijk NAf 3.672,50, NAf 6.752,30 en NAf 18.678,79 betaald. Door de verklaringen die deze personen hebben afgelegd, kwam hun veiligheid ernstig in het geding en waren de opsporingsautoriteiten genoodzaakt hen elders onder te brengen. De gemaakte kosten hadden onder andere betrekking op het betalen van een paspoort voor de kinderen van de getuigen, het betalen van vliegtickets, kosten voor de huur van een woning/appartement en kosten voor het voorzien in de basisbehoeften.
eerste middelklaagt over de verwerping van een ontvankelijkheidsverweer. De toelichting op het middel behelst (echter) klachten die in de kern zijn gericht tegen het oordeel dat de verdachte “
ondubbelzinnig, desbewust en vrijwillig” afstand heeft gedaan van zijn recht op rechtsbijstand voordat hij bekennende verklaringen heeft afgelegd.
willekeurverbod”, de strafrechter “
uitsluitend” dient te onderzoeken of zich de situatie voordoet dat geen redelijk oordelend lid van het OM tot het instellen of voortzetten van de vervolging had kunnen besluiten, c.q. of de vervolgingsbeslissing blijk geeft van “
aperte” onevenredigheid, aldus de toelichting op het middel. [2]
etgeen hier door de raadsman via een beroep op het onzorgvuldig handelen van het openbaar ministerie aan de orde is gesteld”, aldus de steller van het middel. Hetgeen door de verdediging ter terechtzitting is aangevoerd heeft het Hof echter kennelijk en niet-onbegrijpelijk
nietopgevat als een beroep op een schending van het verbod op willekeur. De deelklacht dat bij de verwerping van een verweer een onjuiste maatstaf zou zijn aangelegd, mist dus feitelijke grondslag.
van normschending(en) niet is gebleken” en daarbij overwogen dat de door de verdediging bepleite uitbreiding van de aan te leggen maatstaf daarom buiten verdere bespreking kan worden gelaten. Hiermee heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat het aanleggen van een andere maatstaf niet tot een andere uitkomst zou hebben geleid. Dat oordeel is verweven met waarderingen van feitelijke aard, is allerminst onbegrijpelijk en getuigt bovendien niet van een onjuiste rechtsopvatting. Ook om die reden faalt de deelklacht.
ondubbelzinnig, desbewust en vrijwillig” afstand heeft gedaan van het recht op rechtsbijstand voordat hij bekennende verklaringen heeft afgelegd. Deze klachten richten zich tegen de begrijpelijkheid en de motivering van dit oordeel.
dat hij zijn strafeis (van levenslange gevangenisstraf) zou kunnen veranderen, als verzoeker zou gaan verklaren in wiens opdracht hij het gedaan heeft c.q. Wiels en [B] vermoord heeft”;
enkel op verzoek van de verdachtemet uitsluiting van de raadsvrouw zaken te doen met de verdachte;
zolang de raadsman[lees: raadsvrouw, D.A.]
zich niet heeft teruggetrokken”;
ervaringsdeskundige” is, maakt een en ander niet anders, omdat niet kan blijken dat de verdachte eerder wegens moord is vervolgd of een deal van deze omvang en strekking met het OM heeft gesloten. Tegen deze achtergrond is de omstandigheid dat de verdachte zelf te kennen heeft gegeven dat zijn advocaat nog niet op de hoogte mag worden gebracht van een en ander “
onvoldoende om aan te nemen dat de afstand van rechtsbijstand ondubbelzinnig, desbewust en vrijwillig is gedaan”. [3]
ondubbelzinnig, desbewust en vrijwillig” [6] afstand heeft gedaan van zijn recht op rechtsbijstand. ’s Hofs overwegingen wijzen bovendien uit dat het Hof zich rekenschap heeft gegeven van de vraag of de verdachte de draagwijdte van zijn keuze ten volle heeft kunnen overzien. [7] Daartoe heeft het Hof de begrijpelijkheid van verdachtes motieven in ogenschouw genomen.
dat zijn strafeis zou kunnen veranderen als de verdachte zou verklaren …”) die volgens de steller van het middel het belang van goede rechtsbijstand onderstreept. Daarvan is de verdachte de facto verstoken gebleven. “
Het is evident dat voor een gemiddelde burger, die niet juridisch geschoold is, de slag om de arm die de officier van justitie in zijn bewoordingen toepast, onvoldoende helder tot uitdrukking brengt dat verandering van de strafeis van levenslang slechts een optie is, die op ieder willekeurig moment van tafel kan zijn,” aldus de steller van het middel, die met name wijst op het misleidende karakter van de mededelingen van de officier van justitie.
desbewust en vrijwillig” afstand heeft gedaan. In feite zijn dat evenzovele redenen waarom de verdachte naar het oordeel van de steller van het middel in zijn belang beter geen afstand had kunnen doen van het recht op rechtsbijstand omdat hij uiteindelijk – ondanks de beweerde toezegging – tot een levenslange gevangenisstraf is veroordeeld. Al deze bezwaren betekenen echter niet dat het oordeel van het Hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en maken dat oordeel evenmin onbegrijpelijk.
tweede middel maakt duidelijk dat het middel in de kern opkomt tegen de verwerping van het verweer dat de verdachte is gaan bekennen onder druk van getuigenverklaringen die tot die verklaringen zijn gekomen “
onder invloed van door de politie en/of openbaar ministerie op hen uitgeoefende ontoelaatbare druk”. Het gaat met name om de druk die is uitgeoefend op de echtgenote van de verdachte, zulks doordat aan haar door de politie gesprekken zijn voorgehouden die de verdachte compromitteren en twijfel oproepen aan zijn huwelijkstrouw.
onder invloed van door de politie en/of openbaar ministerie op hen uitgeoefende ontoelaatbare druk” – verworpen en daarbij overwogen zoals hierboven onder 5 is weergegeven. De steller van het middel verwijst in het bijzonder naar de volgende passage uit de overwegingen van het gerecht in eerste aanleg, die ik hier voor het leesgemak nogmaals weergeef:
nietvastgesteld dat de recherche de compromitterende gesprekken aan de getuige uitsluitend heeft voorgehouden in een poging haar te bewegen om belastende verklaringen af te leggen tegen haar (overspelige) echtgenoot, de verdachte.
derde middelbehelst de klacht dat het Hof het opleggen van de levenslange gevangenisstraf onvoldoende heeft gemotiveerd. Ten eerste zou het Hof er, bij het bepalen van de op te leggen straf, ten onrechte van zijn uitgegaan dat op de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf het bepaalde in artikel 1:30 Sr Pro Curaçao van toepassing is. Ten tweede zou de opgelegde levenslange gevangenisstraf, ook indien op de tenuitvoerlegging ervan het bepaalde in artikel 1:30 Sr Pro Curaçao van toepassing zou zijn, in strijd komen met het bepaalde in artikel 14, vijfde lid, IVBPR aangezien geen rechtsmiddel openstaat tegen de op grond van artikel 1:29 Sr Pro Curaçao te geven beslissing van het Hof of de “
verdere onvoorwaardelijke tenuitvoerlegging” van de levenslange gevangenisstraf “
geen redelijk doel meer dient”. Om dezelfde reden zou de levenslange gevangenisstraf in strijd zijn met het bepaalde in artikel 3 EVRM Pro.
2. (...)”
Onderlinge regeling als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden, regelende de samenwerking tussen Aruba, Curaçao, Sint Maarten en Nederland op het gebied van de overdracht van personen aan wie rechtens hun vrijheid is ontnomen op grond van een veroordeling tot een vrijheidsstraf(hierna: de Onderlinge regeling van 1 juli 2014,
Stcrt. 17853). [8]
zonder meerde hierboven genoemde Onderlinge regeling overdracht veroordeelden van toepassing is. Die opvatting is onjuist. De Onderlinge regeling van 1 juli 2014,
Stcrt. 17853 kan pas worden toegepast indien de veroordeling onherroepelijk is (artikel 3, eerste lid onder c). Ook indien de veroordeling onherroepelijk zou zijn, wordt de tenuitvoerlegging ervan niet zonder meer beheerst door de Onderlinge regeling van 1 juli 2014,
Stcrt. 17853. De Onderlinge regeling van 1 juli 2014,
Stcrt. 17853 heeft namelijk uitsluitend betrekking op het geval dat de veroordeelde een aanvraag tot overdracht heeft ingediend (artikel 2, tweede lid).
Stcrt. 17853 uiteindelijk zijn vrijheidsstraf in Nederland zou ondergaan, dan is voorgeschreven dat het aangezochte land (in dit geval zou dat Nederland zijn) “
het recht tot tenuitvoerlegging van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf krijgt. Dit behelst alle ten aanzien van de tenuitvoerlegging relevante bevoegdheden en verantwoordelijkheden.” Hetgeen aldus in artikel 7, eerste lid, is bepaald, is als volgt toegelicht:
Stcrt. 17583 heeft Reijntjes opgemerkt dat de regeling niet voorziet in ambtshalve overdracht, zonder instemming van de veroordeelde, maar dat de regeling deze evenmin geheel uitsluit. Hij wijst echter ook op de toelichting waarin wordt opgemerkt dat artikel 1 wil Pro voorkomen dat “
volledige overdracht van de tenuitvoerlegging op grond van overwegingen aan het resocialisatiebelang van de individuele veroordeelde ontleend plaatsvindt op wijzen die niet in deze regeling zijn omschreven.” Reijntjes betoogt, zich hierbij aansluitend, het volgende:
Stcrt. 2014 nr. 17851 (1 juli 2014). In die regeling is de instemming van de veroordeelde om voor de hand liggende redenen niet als voorwaarde gesteld. Ook in deze regeling is, in artikel 5, eerste lid, bepaald dat de overdracht van een gedetineerd tot gevolg heeft “
dat de verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging van de detentie van de betrokkene wordt overgedragen aan het aangezochte land.” De Onderlinge regeling voorziet in een overdracht voor bepaalde tijd en niet voor een volledige overdracht van de tenuitvoerlegging. In artikel 4, eerste lid, is bepaald dat de gedetineerde “
zo spoedig mogelijk” terugkeert naar het land waarin het bevel tot voorlopige hechtenis is gegeven of de vrijheidsstraf is opgelegd, “
doch in ieder geval binnen een termijn van zes maanden vanaf het tijdstip van onderbrenging”. Indien dringende redenen van veiligheid daartoe nopen, kan de termijn telkens met zes maanden worden verlengd (artikel 4, derde lid).
Stcrt. 2014, nr. 3557 (11 februari 2014). De toepasselijkheid van deze regeling beperkt zich namelijk wat betreft Nederland tot de detentiecapaciteit op Bonaire, Sint Eustatius en Saba (artikel 1, derde lid). [11]
Stcrt. 2014, nr. 3558 (11 februari 2014). [12] Ook deze is niet van toepassing op de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf in Nederland.
dat het Koninkrijk voor wat betreft de vatbaarheid voor tenuitvoerlegging van binnen het Koninkrijk gegeven rechterlijke uitspraken, als een rechtsgebied moet worden beschouwd” en “
brengt naar zijn strekking mee dat de rechtskracht van deze uitspraken in alle delen van het Koninkrijk gelijk is, niet alleen voor wat betreft de vatbaarheid voor tenuitvoerlegging, maar ook voor wat betreft bindende kracht en bewijskracht.” [13]
met inachtneming van de wettelijke bepalingen van het land, waar de tenuitvoerlegging plaats vindt” moet echter worden opgemaakt dat de Nederlandse wettelijke bepalingen van toepassing zijn en niet de wettelijke bepalingen van Curaçao. [14]
verdere onvoorwaardelijke tenuitvoerlegging” van de levenslange gevangenisstraf “
geen redelijk doel meer dient”. Om dezelfde reden zou de levenslange gevangenisstraf in strijd zijn met het bepaalde in artikel 3 EVRM Pro.
the right to his conviction and sentences being reviewed by a higher tribunal according to law” verankerd. Op deze grondslag kan de klacht echter niet slagen. Beslissingen omtrent de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de straf vallen buiten het bereik van deze voorziening. [15] Bovendien komt aan het in artikel 14, vijfde lid, IVBPR gegarandeerde recht naar het oordeel van de Hoge Raad geen rechtstreekse werking toe, zodat daarop niet met succes een beroep kan worden gedaan. [16]
de jureen
de factokan worden verminderd. [17] De eis dat een rechtsmiddel kan worden ingesteld tegen de beslissing over de eventuele verkorting van de levenslange gevangenisstraf, kan echter niet uit artikel 3 EVRM Pro worden afgeleid. In zoverre merk ik ten overvloede op dat ook indien geen rechtsmiddel openstaat tegen de beslissing die het Hof heeft te nemen op grond van de in art. 1:30 Sr Pro Curaçao neergelegde regeling, gratie kan worden verleend en het oordeel van de burgerlijke rechter kan worden ingeroepen omtrent de rechtmatigheid van de (verdere) tenuitvoerlegging van die levenslange gevangenisstraf. [18]