ECLI:NL:PHR:2016:421

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
20 mei 2016
Publicatiedatum
27 mei 2016
Zaaknummer
16/01795
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 426 lid 1 RvArt. 426a lid 1 RvArt. 80a ROArt. 13 Advocatenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens overschrijding termijn en ontbreken verplichte advocaat

Verzoeker heeft geprobeerd cassatieberoep in te stellen tegen een beschikking van de kantonrechter van 17 december 2014, betreffende een afwijzing van een verzoek tot herroeping van een ontbindingsbeschikking. De eerste poging tot cassatie werd niet ontvankelijk verklaard omdat verzoeker niet werd vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad en dit verzuim niet werd hersteld.

In de tweede poging, ingediend via de Centrale Raad van Beroep, werd wederom geen advocaat ingeschakeld. Verzoeker voerde aan dat de overschrijding van de cassatietermijn verschoonbaar was omdat hij pas laat over het rechtsmiddel werd geïnformeerd en dat het ontbreken van een advocaat verschoonbaar was wegens gebrek aan middelen en kennis. De Hoge Raad oordeelde dat deze gronden onvoldoende waren en dat het ontbreken van een advocaat en de termijnoverschrijding niet konden worden geaccepteerd.

De Hoge Raad benadrukte dat de verplichte procesvertegenwoordiging door een advocaat niet kan worden genegeerd, ook niet vanwege financiële redenen, aangezien gefinancierde rechtsbijstand beschikbaar is. De conclusie strekte tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep van verzoeker.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de cassatietermijn en het ontbreken van verplichte advocaat.

Conclusie

Zaaknr: 16/01795
mr. E.M. Wesseling-van Gent
Zitting: 20 mei 2016
Conclusie art. 80a RO inzake:
[verzoeker]
1. Bij brief met bijlage, die op 29 januari 2016 is ingekomen bij de Centrale Raad van Beroep en – na doorzending – op 4 februari 2016 is ontvangen door de griffie van de Hoge Raad, heeft verzoeker tot cassatie (hierna: verzoeker) te kennen gegeven beroep in cassatie te willen instellen tegen een beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Almelo (huidige benaming: rechtbank Overijssel) van 17 december 2014. Ik leid uit de brief van verzoeker (hierna aangeduid als verzoekschrift) af dat het gaat om een afwijzende beslissing van de kantonrechter op een verzoek tot herroeping van een ontbindingsbeschikking. Verzoeker heeft de bestreden beschikking evenwel niet toegestuurd.
2. Verzoeker heeft eerder geprobeerd om cassatieberoep in te stellen tegen de beschikking van 17 december 2014 (geregistreerd onder zaaknr. 15/01253). Bij deze poging (op 16 maart 2015) had verzoeker zich niet laten vertegenwoordigen door een advocaat bij de Hoge Raad en heeft verzoeker dit verzuim, na daartoe door de griffie in de gelegenheid te zijn gesteld, niet hersteld. In die zaak heeft de griffier van de Hoge Raad verzoeker vervolgens bij brief van 2 april 2015 laten weten dat zijn verzoek tot cassatie niet in behandeling kan worden genomen en dat de correspondentie met verzoeker zal worden beëindigd.
3. Het onderhavige verzoekschrift is evenmin ingediend en ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad.
De griffie van de Hoge Raad heeft verzoeker bij brief van 17 maart 2016 bericht dat verzoeker voor het instellen van beroep in cassatie in een civiele zaak juridische bijstand behoeft van een advocaat, ingeschreven bij de Hoge Raad der Nederlanden te ’s-Gravenhage en dat verzoeker, indien hij zelf zonder procesvertegenwoordiging door een advocaat beroep in cassatie instelt, een gerede kans loopt door de Hoge Raad niet-ontvankelijk verklaard te worden.
Voorts vermeldt de brief dat de termijn waarbinnen cassatie kan worden ingediend drie maanden bedraagt te rekenen vanaf de datum van de uitspraak, dat deze termijn in het geval van verzoeker reeds geruime tijd is verlopen en dat verzoeker griffierecht verschuldigd is aan de Hoge Raad indien hij de zaak toch wil voortzetten.
4. Bij e-mail van 31 maart 2016 heeft verzoeker de griffie bericht dat hij op de hoogte is van voornoemde regels en de risico’s en dat hij hierover eerder heeft gecorrespondeerd met de griffier van de Hoge Raad. Verzoeker heeft voorts aangegeven het vreemd te vinden dat hem thans wordt gevraagd of hij de zaak wil voortzetten omdat hij er reeds van uit ging dat zijn zaak in behandeling was genomen.
5. In de onderhavige, tweede poging van verzoeker om via de Centrale Raad van Beroep cassatieberoep in te stellen bij de Hoge Raad voert verzoeker, voor zover relevant voor de beoordeling van de ontvankelijkheid, aan – zakelijk en verkort weergegeven – dat:
i) er sprake is van een verschoonbare overschrijding van de cassatietermijn omdat in de beschikking van de kantonrechter van 17 december 2014 noch in de daarop gevolgde correspondentie met de griffie van de rechtbank Almelo is gewezen op de mogelijkheid om cassatieberoep in te stellen en de daarvoor geldende termijn en hij pas op 17 februari 2015 door de president van de rechtbank Zwolle is geïnformeerd over het rechtsmiddel van cassatie en dat,
ii) het ontbreken van de verplicht gestelde vertegenwoordiging door een advocaat bij de Hoge Raad evenzeer verschoonbaar is omdat hij vanwege een gebrek aan financiële middelen en kennis geen cassatieadvocaat heeft kunnen vinden en het Hof van Discipline zijn op de voet van art. 13 Advocatenwet Pro ingediende beklag op 1 juni 2015 heeft afgewezen omdat de termijn voor het instellen van cassatieberoep reeds was verstreken.
6. In de argumenten van verzoeker heb ik geen gronden aangetroffen voor verschoonbaarheid van het ontbreken van de verplichte vertegenwoordiging door een cassatieadvocaat en van de overschrijding van de cassatietermijn.
Daargelaten de vraag of in een zaak als de onderhavige op de burgerlijke rechter en de griffie een verplichting zou rusten om voorlichting te geven aan rechtzoekenden met betrekking tot de tegen een uitspraak aan te wenden rechtsmiddelen en de daarvoor geldende termijnen (‘Rechtsmittelbelehrung’), kan dit verzoeker niet baten nu hij naar eigen zeggen op 17 februari 2015, een maand voor het verstrijken van de cassatietermijn, door de president van de rechtbank Almelo op de hoogte is gesteld van de mogelijkheid om cassatie in te stellen tegen de beschikking van 17 december 2014. M.i. was er aldus nog voldoende tijd om binnen de termijn een cassatieberoep in te dienen.
Schending van ‘Rechtsmittelbelehrung’ kan bovendien nimmer een excuus zijn om geen cassatieadvocaat te stellen. Het argument dat verzoeker geen advocaat heeft kunnen vinden die bereid is om hem in cassatie te vertegenwoordigen kan de wettelijke bepalingen over verplichte procesvertegenwoordiging niet opzij zetten [1] . Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat het vereiste van verplichte procesvertegenwoordiging kosten meebrengt voor procespartijen. Op grond van de Wet op de rechtsbijstand kan immers in beginsel gefinancierde rechtsbijstand worden verkregen voor het voeren van een civiele procedure en voor het verkrijgen van een cassatieadvies [2] .
In de reeds (onder nr. 2) genoemde brief van de griffier van de Hoge Raad van 2 april 2015 is overigens vermeld dat de griffier van de deken in het arrondissement Den Haag heeft vernomen dat er wel degelijk aan verzoeker een cassatieadvies is verstrekt door een cassatieadvocaat en dat de waarnemend deken om die reden het verzoek van verzoeker om ingevolge art. 13 Advocatenwet Pro een advocaat aan te wijzen heeft afgewezen. De griffier heeft verzoeker er terecht op attent gemaakt dat de tegen die afwijzing gerichte beklagprocedure bij het Hof van Discipline de termijn om een cassatieadvocaat te stellen niet opschort.
7. Nu het onderhavige verzoekschrift niet is ingediend en ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad is niet voldaan aan het vereiste in art. 426a lid 1 Rv. Verzoeker behoefde ditmaal niet in de gelegenheid te worden gesteld om het verzuim te herstellen, aangezien het cassatieberoep niet binnen de cassatietermijn van art. 426 lid 1 Rv Pro is ingesteld.
8. De conclusie strekt derhalve tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in zijn cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Vgl. de conclusie van A-G Langemeijer (onder 4) vóór HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:285, RvdW 2016/317, de conclusie van A-G Langemeijer (onder 4) vóór HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:833, RvdW 2014/559 en HR 30 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4497, JOL 2001/704.
2.Zie ook mijn conclusie (onder 2.8) vóór HR 19 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1684, RvdW 2015/776.