In deze cassatieprocedure staat de ontvankelijkheid van het beroep centraal vanwege de niet-tijdige betaling van het griffierecht door eiser. Eiser stelde dat hij door een onjuiste nota van het Landelijk Dienstencentrum Rechtspraak (LDCR) mocht vertrouwen op een latere betalingstermijn, waardoor toepassing van de sanctie van niet-ontvankelijkverklaring onbillijk zou zijn.
De Hoge Raad bevestigt dat de betalingstermijn van het griffierecht strikt geldt, maar dat bij verwarringwekkende informatie door gerechtelijke instanties een beroep op de hardheidsclausule mogelijk is. De nota van het LDCR vermeldde een onjuiste uiterste betaaldatum, wat de verwachting wekte dat betaling tot 21 maart 2016 nog tijdig was. Dit leidde tot een onbillijkheid van overwegende aard bij toepassing van de sanctie.
Daarnaast werd besproken of de sanctie van art. 409a lid 2 Rv nog kan worden toegepast nadat de Hoge Raad tijdens de betalingstermijn al een voorselectie op grond van art. 80a RO had gedaan. De Hoge Raad oordeelde dat de voorselectie niet gelijkstaat aan inhoudelijke behandeling, zodat de sanctie nog steeds toepasbaar is.
Uiteindelijk besloot de Hoge Raad de sanctie van niet-ontvankelijkverklaring achterwege te laten en de zaak voort te procederen, waarbij een nieuwe roldatum wordt vastgesteld. Dit arrest bevestigt de bescherming van procespartijen tegen onbillijke sancties bij onjuiste informatie van gerechtelijke instanties.