Conclusie
[verzoeker],
Onderdeel 1is gericht tegen rov. 3.8.1 t/m 3.8.4. Daarin heeft het hof geoordeeld dat [verzoeker] “niet tijdig c.q. geen (voldoende kenbare) grief” heeft gericht tegen het oordeel van de rechtbank inzake de boedelachterstand en de toerekenbaarheid ervan, zodat dit oordeel in hoger beroep rechtens onaantastbaar is geworden en dat dit al voldoende grond oplevert om de schuldsaneringsregeling van [verzoeker] tussentijds te beëindigen. Volgens het onderdeel heeft het hof hiermee miskend dat de rechtsstrijd in hoger beroep in beginsel dezelfde is als in eerste aanleg, en de hele uitspraak omvat waartegen wordt geappelleerd, tenzij appellant het hoger beroep uitdrukkelijk beperkt tot enkele beslissingen uit de bestreden uitspraak, hetgeen hier niet is gebeurd. Het hof is bevoegd en ook gehouden om een zelfstandig onderzoek in te stellen naar de feiten en omstandigheden die van belang zijn voor de beantwoording van de vraag of aanleiding bestaat tot een dergelijke (tussentijdse) beëindiging, zonder gebonden te zijn aan de oordelen van de rechtbank dienaangaande, aldus het onderdeel, onder verwijzing naar de conclusie van A-G Strikwerda voor HR 30 september 2005, ECLI:NL:PHR:2005:AT6373 [1] .