Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
primairaan dat de executoriale derdenbeslagen de verjaring van de derdenbeslagen blijvend hebben gestuit en
subsidiairdat de verjaring in 2004 is gestuit door de procedures die Pegroam in Frankrijk tegen [betrokkene 2] heeft gevoerd.
Grief 1in het principaal appel strekt tot het betoog dat [verweerder] geen beroepsfout heeft gemaakt. Hij voert daartoe twee verweren aan die de rechtbank ten onrechte heeft verworpen, te weten: (i) de executoriale beslagen hebben de verjaringstermijn (voortdurend) gestuit waardoor er geen nadere stuitingshandelingen waren vereist, en (ii) procedures van Pegroam tegen [betrokkene 2] in Frankrijk hebben de verjaring gestuit. In dit kader heeft [verweerder] ook gesteld dat op grond van het arrest van 10 april 2012 door de rechtbank ten onrechte als vaststaand feit is aangenomen dat de executiebevoegdheid van het verstekvonnis uit 1982 is verjaard. Aan dat tussen [betrokkene 2] en Pegroam gewezen arrest komt immers geen gezag van gewijsde toe in zijn relatie tot Pegroam, aldus [verweerder].
3.Het cassatiemiddel
4.Heeft Pegroam belang bij het middel?
- ‘s hofs oordeel dat [verweerder] in 2007 mocht denken dat een executoriaal derdenbeslag voortdurend stuitende werking heeft, is een grond die de conclusie dat [verweerder] geen beroepsfout heeft gemaakt zelfstandig kan dragen;
- tegen dit oordeel (dat [verweerder] in 2007 mocht denken dat een executoriaal derdenbeslag voortdurend stuitende werking heeft) is als zodanig in cassatie niet door Pegroam opgekomen.
5.Bespreking van de klachten
- eerst treft men een reeks van bepalingen aan die de toepasselijke termijn aangeven voor de verjaring van een rechtsvordering (art. 3:306 tot Pro en met 3:315 BW);
- vervolgens stuit men op een regeling van de stuiting (art. 3:316-319 BW) waarin niet alleen te vinden is wanneer en hoe kan worden gestuit (art. 3:316-318 BW), maar ook welke rechtsgevolgen daaraan verbonden zijn (art. 3:319 BW Pro);
- daarna komen enkele specifieke onderwerpen aan bod (verlenging (art. 3:320-321 BW), het verbod van ambtshalve toepassing (art. 3:322 BW Pro) en een regeling van de consequenties van verjaring voor rechten van pand en hypotheek (art. 3:323 BW Pro)); en, ten slotte,
- vindt men een regeling van de verjaring van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een rechterlijke (of arbitrale) uitspraak in art. 3:324-325 BW.
hoede verjaring van art. 3:324 BW Pro wordt gestuit. Daarbij valt op dat van een vergelijkbare opzet sprake is als in art. 3:316 e.v. BW. Stuiting vindt, kort gezegd, plaats, in geval van betekening van de uitspraak of schriftelijke aanmaning (vgl. art. 3:317 BW Pro), erkenning (vgl. art. 3:318 BW Pro) of een daad van tenuitvoerlegging (vgl. art. 3:316 BW Pro).
uitzonderingdie in de tekst van art. 3:319 lid 1 BW Pro is terug te vinden: stuiting van de verjaring van een rechtsvordering door het instellen van een eis die door toewijzing wordt gevolgd. Ik kom op deze redenering hierna (onder 34 e.v.) nog terug.
NJ1935, p. 1276 dat hierna (onder 23 e.v. en 36 e.v.) nog aan de orde komt. [17] De ‘afronding van deze uitzondering’, aldus de parlementaire geschiedenis bij art. 3:319 BW Pro, vindt men in art. 3:324 BW Pro: is eenmaal een toewijzende uitspraak verkregen, dan begint een nieuwe (te begrijpen als: andere) verjaring te lopen, nu van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van deze uitspraak. [18]
NJ1935, p. 1276 m.nt. P. Scholten (Groen/Staat en Ontvanger) waarnaar het hof verwijst en dat ook in parlementaire geschiedenis van art. 3:319 BW Pro wordt genoemd.
Groen/Staat en Ontvangeris gewezen in een tijd waarin, anders dan nu het geval is, niet twee van elkaar te onderscheiden regimes op het punt van verjaring gelden (één met betrekking tot verjaring van een rechtsvordering en één met betrekking tot verjaring van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak). Deze zaak ziet, vanuit hedendaags perspectief bekeken, uiteindelijk op de verjaring van een rechtsvordering. Bij de consequenties van het leggen van executoriaal beslag (waartoe de Ontvanger ook zonder voorafgaande rechterlijke uitspraak bevoegd is en destijds was) ligt het dan inderdaad voor de hand aan te nemen dat de stuitende werking voortduurt totdat de procedure voorbij is. Waarom, zo klinkt door bij Uw Raad, zou de schuldeiser zolang hij procedeert nog nadere stuitingshandelingen moeten verrichten?
NJ1935, p. 1276 (Groen/Staat en Ontvanger). Hij lijkt verder niet het punt te behandelen of het enkele leggen van beslag onder de derde ten laste van de beslagdebiteur een voortdurend stuitende werking heeft.
Biemansbij het hier bestreden arrest van het Hof Amsterdam. [39] Hij merkt allereerst (onder 3) op dat het leggen van executoriaal derdenbeslag de verjaring van de vordering waarop het derdenbeslag is gelegd, stuit. Vervolgens komt hij toe aan de vraag of het executoriaal derdenbeslag voortdurend stuitende werking heeft. [40] Onder 4 geeft hij dan de redenering van het hof, waarin wordt aangenomen dat aan het leggen van executoriaal beslag voortdurende stuitende (blokkerende) werking toekomt, weer. Zijn oordeel is positief:
sequeel-gedachte aansluiting zoekt bij het in art. 3:316 BW Pro geregelde geval van het instellen van een eis die door toewijzing wordt gevolgd, goed te keuren. Op deze
sequeel-gedachte kom ik hierna (onder 34 e.v.).
voortdurendstuitende werking gaat.
sequeel van een toegewezen eisook valt onder de uitzondering op de hoofdregel van art. 3:319 BW Pro (nieuwe termijn van 5 jaar) waardoor er een van art. 3:319 afwijkende Pro nieuwe termijn gaat lopen en wel een die voortduurt zolang de executie nog plaatsvindt (rov. 3.7.2).
NJ1935, p. 1276 (Groen/Staat en Ontvanger) blijkt dat geen breuk met het oude recht is bedoeld.
sequeel-gedachte ‘hangen’ bij toewijzing van een ingestelde eis, terwijl we dat stadium, nu er een voor executie vatbare rechterlijke uitspraak ligt, juist gepasseerd zijn.
NJ1935, p. 1276 (Groen/Staat en Ontvanger) blijkt dat geen breuk met het oude recht is bedoeld, is in die zin ongelukkig dat het oude recht nu juist, anders dan het huidige, niet twee regimes kende (één met betrekking tot de verjaring van rechtsvorderingen en één met betrekking tot de verjaring van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak). Daar komt bij dat in de parlementaire geschiedenis niet duidelijk wordt gemaakt welke betekenis en reikwijdte aan het aangehaalde arrest moeten worden toegekend.
sequeelvan een toegewezen eis onder de uitzondering van de hoofdregel van art. 3:319 BW Pro valt, zodat (in afwijking van art. 3:319 BW Pro) de verjaringstermijn voortduurt zolang de executie nog plaatsvindt. Dit oordeel van het hof - dat de stuiting van de verjaringstermijn voortduurt zolang de executie nog plaatsvindt - lijkt Biemans juist, met dien verstande dat het executoriaal beslag daadwerkelijk tot executie dient te leiden. Dezelfde eis, aldus Biemans, wordt immers gesteld aan het instellen van een eis: die moet door toewijzing worden gevolgd. Als door een executiegeschil of om een andere reden de executie niet daadwerkelijk plaatsvindt, is de uitzondering op de hoofdregel (dat een nieuwe verjaringstermijn van 5 jaar gaat lopen) niet van toepassing.
sequeel-redenering waarin de samenhang tussen de art. 3:316, 3:319, 3:324 en 3:325 BW met zich brengt dat de stuiting van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak voortduurt zolang de executie nog plaatsvindt.
sequeel-redenering heb ik hiervoor onder 34-35 al de staf gebroken. De samenhang die het hof veronderstelt tussen de genoemde artikelen wordt ondergraven, doordat art. 3:316 BW Pro en art. 3:324 BW Pro niet op dezelfde manier zijn opgebouwd. In art. 3:325 BW Pro wordt daarbij wel art. 3:319 BW Pro van overeenkomstige toepassing verklaard, maar niet art. 3:316 BW Pro. Ook uit de parlementaire geschiedenis bij art. 3:324 BW Pro blijkt dat de verjaring van een rechtsvordering en de verjaring van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak twee onderscheiden trajecten zijn. Weliswaar bouwen deze trajecten op elkaar voort en zijn ze op elkaar geïnspireerd (hiervoor 17 e.v.), maar dat betekent nog niet dat bij toepassing van het regime met betrekking tot de verjaring van de executiebevoegdheid inhoudelijk moet worden aangesloten bij het regime van art. 3:316 BW Pro (instellen van een eis) dat nu juist voor verjaring van rechtsvorderingen is geschreven.
Groen/Staat en Ontvangeruit 1935 en
Dumatrust c.s./Ontvanger en Staatuit 2011 heeft geoordeeld dat dan aan het executoriaal derdenbeslag voortdurend stuitende werking toekomt. Deze ratio ontbreekt bij de verjaring van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak. In dat geval volgt het executoriaal derdenbeslag juist op de rechterlijke uitspraak, zodat het geval de cruciale context mist uit de genoemde arresten.
sequeel-redenering van het hof waarin art. 3:316 BW Pro een hoofdrol speelt, overtuigt niet. Zij miskent, en dat is de kern van het verwijt dat Pegroam in cassatie maakt, dat er twee van elkaar te onderscheiden zoveel mogelijk afgeronde verjaringsregimes gelden: het ene betreft de verjaring van een rechtsvordering, het andere de verjaring van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak. [60]