Conclusie
1.Feiten en procesverloop
multifunctionalsen aanverwante dienstverlening. In paragraaf 1.5 van de offerteaanvraag wordt over de inhoud van de opdracht het volgende vermeld:
multifunctionalsen de opdracht voor betaalsystemen heeft samengevoegd, doel mist. Het hof heeft bij zijn arrest van 13 januari 2015 het vonnis van de voorzieningenrechter van 22 november 2013 bekrachtigd en heeft de vorderingen in de hoofdzaak van Xafax, Ricoh en Xerox afgewezen.
2.Het cassatiemiddel
3.Toelichting
Publicatieblad van de Europese Unie;
Dat risico ontstaat echter alleen in het geval een ernstige overtreding van de aanbestedingsregels komt vast te staan. Ik wijs daarvoor op de gronden voor vernietiging zoals die zijn opgenomen in artikel 8 van Pro het wetsvoorstel(onderstreping toegevoegd; LK). Een vernietigde overeenkomst kan schade met zich brengen voor de oorspronkelijke contractspartij van de aanbestedende dienst. Indien de schade te wijten is aan een onrechtmatige gedraging van de aanbestedende dienst is er in beginsel grond voor verhaal van deze schade op de aanbestedende dienst. De omvang van de schade kan de gemaakte kosten omvatten maar onder omstandigheden ook het positieve contractsbelang (de gederfde winst) dat de ondernemer had bij de overeenkomst. Schadeverhaal zal echter beperkt of uitgesloten zijn indien de contractspartij wist of behoorde te weten dat de overeenkomst in strijd met het aanbestedingsrecht was gesloten. Door aanbestedingsvoorschriften goed in acht te nemen en daar zonodig ook als wederpartij oog voor te hebben, wordt het risico op vernietiging beperkt. Het staat een wederpartij vrij aan de aanbestedende dienst een verklaring of «garantie» te vragen dat in overeenstemming is gehandeld met de aanbestedingsregels. Een dergelijke verklaring zal, zo die wordt afgegeven door opdrachtgevers, niet zozeer als garantie kunnen werken maar mogelijk wel de verhaalspositie van opdrachtnemers kunnen versterken indien achteraf schade wordt geleden als gevolg van een reeds in uitvoering genomen overeenkomst die wegens strijd met het aanbestedingsrecht alsnog wordt vernietigd. Het risico op vernietiging kan overigens worden beperkt door gebruik te maken van de hiervoor beschreven mogelijkheid die aanbestedende diensten hebben om de termijn te verkorten waarbinnen vernietiging van de overeenkomst kan worden verzocht.”
“nadrukkelijk beoogd een evenwicht te vinden tussen de genoemde verschillende belangen.”Uit de nota naar aanleiding van het verslag moet worden opgemaakt dat de vernietigingsgronden van art. 8 lid 1 Wira Pro wat betreft de mogelijkheid van vernietiging wegens strijd met de aanbestedingsregels als uitputtend zijn bedoeld, maar wel ruimte laten voor aantasting van reeds gesloten overeenkomsten op grond van wilsgebreken, dan wel op grond van art. 3:40 BW Pro, wat die laatste grond betreft echter met dien verstande dat strijd met het aanbestedingsrecht niet voor aantasting van een reeds gesloten overeenkomst op grond van art. 3:40 BW Pro volstaat [8] :
Door de opschortende termijn en de termijn waarbinnen vernietiging van een overeenkomst kan worden verzocht te begrenzen, en ook door de gronden voor vernietiging te beperken tot de meest zware overtredingen van het aanbestedingsrecht, worden tevens waarborgen gegeven aan aanbestedende diensten en aan opdrachtnemers met wie een overeenkomst is gesloten. Waarborgen dat geen te grote of lang durende onzekerheid ontstaat over de vraag of een overeenkomst gesloten kan worden en vervolgens vlot genoeg uitgevoerd kan worden. Met de maatregelen in het wetsvoorstel en de daaraan ten grondslag liggende richtlijn is nadrukkelijk beoogd een evenwicht te vinden tussen de genoemde verschillende belangen. Hierin ligt tevens de verklaring waarom de gronden voor vernietiging van een overeenkomst beperkt zijn tot die welke genoemd zijn in de richtlijn en het wetsvoorstel(onderstreping toegevoegd; LK). Gedurende de verplichte opschortende termijn die voorafgaat aan het sluiten van de overeenkomst kan echter wel het initiatief worden genomen om een eventueel gebruik van discriminatoire criteria in de aanbestedingsprocedure aan te vechten, al dan niet door aan de rechter een voorlopige voorziening te vragen.
Wat betreft de vraag of het überhaupt mogelijk is op andere gronden tot vernietiging van een overeenkomst te komen, wijs ik op de in het Burgerlijk Wetboek al bestaande regeling volgens welke rechtshandelingen aantastbaar zijn wegens zogenaamde wilsgebreken. De wilsgebreken zijn dwaling (artikel 6:228 van Pro het Burgerlijk Wetboek), bedrog, bedreiging en misbruik van omstandigheden (artikel 3:44 van Pro het Burgerlijk Wetboek). Voorts wordt genoemd de vernietigingsgrond wegens een met wet of openbare orde strijdige strekking (artikel 3:40 van Pro het Burgerlijk Wetboek(onderstreping toegevoegd; LK).
“(da)ardoor (…) het belang van alle betrokken partijen om tijdig voldoende rechtszekerheid te verkrijgen over het kunnen sluiten of uitvoeren van overeenkomsten onder druk zou (zou) komen te staan” [9] :
postcontractuele fase(zie voor die term ook de parlementaire geschiedenis van de Wira [11] ) van aanbestedingszaken. Op de
precontractuele faseheeft art. 2.127 Aanbestedingswet 2012 betrekking. De bepaling luidt als volgt:
“en biedt (zij) de juiste balans tussen snelle opheldering over de status van de aanbestedingsprocedure en de bescherming van rechten van ondernemers en aanbestedende diensten” [14] .
Publicatieblad van de Europese Unie, zonder dat dit op grond van Richtlijn 2004/18/EG is toegestaan;
Publicatieblad van de Europese Unieop grond van Richtlijn 2004/18/EG is toegestaan,
Publicatieblad van de Europese Unieheeft bekendgemaakt, en
“Voorschriften voor beroepsprocedures”) , zoals die bepaling bij Richtlijn 2007/66/EG is gewijzigd. In dat gewijzigde art. 2 is Pro - voor zover van belang - het volgende bepaald:
“de wijzigingsrichtlijn niet toe(staat) aan de niet-gekwalificeerde schending van artikel 2 sexies Pro, eerste lid, minder vergaande rechtsgevolgen te verbinden.”Dat laatste acht ik in zoverre niet juist, dat Richtlijn 2007/66/EG de lidstaten niet zonder meer ertoe dwingt te voorzien in onverbindendheid van een reeds gesloten overeenkomst in het geval dat die overeenkomst met miskenning van een (niet-gekwalificeerde) opschortende termijn is gesloten [18] . Het bij Richtlijn 2007/66/EG aan Richtlijn 89/665/EEG toegevoegde art. 2 sexies Pro lid 1 luidt als volgt:
Publicatieblad van de Europese Unie; of
“Optie om civiele rechter zich enkel over schadevergoeding uit te laten”aangetekend:
“De rechter kan zich ook over de overeenkomst uitspreken.”
Uneto/De Vliert), ECLI:NL:HR:1999:ZC2826, NJ 2000/305; HR 4 november 2005 (
Van der Stroom/Staat), ECLI:NL:HR:2005:AU2806, NJ 2006/204). Het hof heeft daarbij aangetekend dat daarmee niet zozeer de aanbestedende dienst wordt beschermd, maar de wederpartij aan wie het werk of de levering is opgedragen.
Uneto/De Vliert(HR 22 januari 1999, NJ 2000, 305) is in dit verband niet van belang omdat in dit arrest alleen is bepaald dat het enkele feit dat in strijd met het aanbestedingsrecht is gehandeld, nog geen nietigheid van de reeds gesloten overeenkomst oplevert en het overigens geen schending als hierboven bedoeld onder a-c betrof.”
de factode mogelijkheid tot het instellen van hoger beroep te ontnemen. In de volgende paragraaf zal ik proberen aan te tonen dat het toepasselijke beoordelingskader voor een vordering die erop is gericht een gesloten overeenkomst open te breken, meer evenwicht brengt tussen de belangen van de betrokken partijen dan de benadering van het Gerechtshof Den Haag.
de factowordt ontzegd.”
ECLI:NL:GHSGR:2011:BQ4365, r.o. 2.6.1 (
Ricoh/Staat) en 27 november 2012,
ECLI:NL:GHSGR:2012:BY8708, r.o. 12 (
Facilicom/Staat).”
beperken. Dat betekent niet dat de in art. 4.15 lid 1 Aanbestedingswet 2012 (art. 8 lid 1 Wira Pro) opgenomen gronden voor vernietiging zonder meer uitputtend zijn, maar wel dat vernietiging op andere dan de in die bepaling genoemde
en aan het aanbestedingsrecht ontleendegronden niet mogelijk is. Naast een vernietiging op één van de in art. 4.15 lid 1 Aanbestedingswet 2012 (art. 8 lid 1 Wira Pro) genoemde gronden heeft de wetgever vernietiging (c.q. nietigheid) van een dergelijke overeenkomst immers slechts mogelijk geacht op grond van wilsgebreken dan wel op grond van art. 3:40 BW Pro (voor toepassing van welke laatste bepaling strijd met het aanbestedingsrecht op zichzelf niet volstaat).
beperkingvan de vernietigbaarheid van een reeds als resultaat van een gunningsbeslissing gesloten overeenkomst gerichte strekking van de Aanbestedingswet 2012 (de Wira), doet mijns inziens niet af dat in de memorie van toelichting bij het ontwerp van de Wira in algemene zin werd opgemerkt:
iederenietigheid c.q. vernietigbaarheid van de reeds tot stand gekomen overeenkomst heeft willen uitsluiten en in plaats daarvan voor nietigheid c.q. vernietiging van de overeenkomst op grond van wilsgebreken of op grond van art. 3:40 BW Pro ruimte heeft gelaten.
precontractuele fase, waarin de belangen van de verliezende inschrijvers en andere gegadigden prevaleren en waarin dankzij de opschortingsbepalingen is gewaarborgd dat die partijen hun bezwaren tegen de gunning in kort geding geldend kunnen maken, en met de regeling van de
postcontractuele fase, waarin de belangen van de aanbestedende dienst en de winnende inschrijver prevaleren en waarin aan die partijen, behoudens een beperkte mogelijkheid van vernietiging c.q. nietigheid, een bepaalde mate van zekerheid wordt geboden met betrekking tot een ongestoorde uitvoering van de gesloten overeenkomst. Dat de rechtsbescherming van de verliezende inschrijvers en overige gegadigden zich concentreert in de
precontractuele fase, is intussen geheel in lijn met Richtlijn 2007/66/EG. De considerans van die richtlijn vermeldt onder 28 [50] :
precontractueleen de
postcontractuele fase. Zo overwoog de President van het HvJ EU over de strekking van (de door Richtlijn 2007/66/EG gewijzigde) Richtlijn 89/665/EEG [51] :
precontractuele faseprevalerende belangen van de verliezende inschrijvers en overige gegadigden) in de
postcontractuele faseaan de aanbestedende dienst en de winnende inschrijver geboden rechtszekerheid zou ontbreken, als die laatste partijen op zeker moment (nadat de andere inschrijvers en gegadigden de hun geboden gelegenheid om bij de voorzieningenrechter tegen de gunning op te komen niet of niet met succes hebben benut) weliswaar de beoogde overeenkomst als resultaat van de gunningsbeslissing mogen sluiten, maar niettemin erop bedacht moeten zijn dat de (appel)rechter in kort geding (en mogelijk zelfs de rechter na verwijzing na een eventuele cassatie in kort geding en de bodemrechter) ook buiten de wettelijk geregelde gevallen waarin de inmiddels gesloten overeenkomst nietig of vernietigbaar is, op grond van strijd met de aanbestedingsregels voorzieningen kan treffen die, alhoewel zij geen rechterlijke nietigverklaring of vernietiging inhouden, materieel vergelijkbare gevolgen hebben. Een gebod aan de aanbestedende dienst om de reeds gesloten overeenkomst te beëindigen of een verbod van verdere uitvoering is een niet minder effectief middel dan een vernietiging om de reeds gesloten overeenkomst te frustreren; daarbij wijs ik overigens erop dat een voorziening die slechts ingrijpt in de verbintenissen die nog moeten worden uitgevoerd (mits vergezeld van alternatieve sancties), in het door Richtlijn 2007/66/EG aan Richtlijn 89/665/EEG toegevoegde art. 2 quinquies Pro lid 2 zelfs op één lijn wordt gesteld met een vernietiging met terugwerkende kracht en evenals een zodanige vernietiging als een toereikende voorziening geldt, in het geval dat de richtlijn onverbindendheid van de reeds gesloten overeenkomst voorschrijft. Het genoemde art. 2 quinquies Pro lid 2 bepaalt:
“Dit betekent”, aldus het hof in rov. 3.8,
“dat indien een overeenkomst al is gesloten, de rechter in hoger beroep nog steeds een uitspraak kan doen die neerkomt op een verbod om (verdere) uitvoering te geven aan een overeenkomst hetzij een gebod om de overeenkomst op te zeggen dan wel te beëindigen, als dat noodzakelijk is om ingrijpen mogelijk te maken in een fase van de aanbesteding waarin de beweerde inbreuk van een aanbestedende dienst op het (Europese) aanbestedingsrecht nog ongedaan kan worden gemaakt om te voorkomen dat de betrokken belangen verder worden geschaad.”Kennelijk doelt het hof op het bij Richtlijn 2007/66/EG gewijzigde art. 2 lid 1 van Pro Richtlijn 89/665/EEG:
overeenkomsten, maar van nietigverklaring van
besluitenwordt gesproken. Op de gevolgen van door de nationale rechter geboden rechtsbescherming voor reeds gesloten
overeenkomstenziet de bepaling van art. 2 lid Pro 7, dat die gevolgen (behoudens in de gevallen waarop de art. 2 quinquies Pro tot en met 2 septies betrekking hebben) door het nationale recht worden bepaald. Naar ook uit de considerans van de richtlijn blijkt, heeft de communautaire wetgever bewust met het sanctioneren van de meest ernstige overtredingen van de aanbestedingsregels volstaan en heeft de communautaire wetgever het aan de lidstaten overgelaten of zij ook andere inbreuken op de aanbestedingsregels al dan niet met onverbindendheid van reeds gesloten overeenkomsten sanctioneren:
“de verplichting voor lidstaten om in hun nationale recht personen die zijn benadeeld door een besluit dat is vastgesteld na een gunningsprocedure voor een overheidsopdracht, de mogelijkheid te bieden om overeenkomstig artikel 2, lid 1, van richtlijn 89/665 voorlopige maatregelen te vorderen, (is) beperkt tot de periode tussen de vaststelling van dat besluit en de sluiting van de overeenkomst.”
“de rechter in hoger beroep immers nog steeds een uitspraak (kan) doen die neerkomt op een verbod om (verdere) uitvoering te geven aan die overeenkomst of een gebod om die overeenkomst op te zeggen of te beëindigen indien de in artikel 254 lid 1 Rv Pro vereiste belangenafweging zo’n voorziening vereist”, berust dat naar mijn mening evenzeer op een onjuiste rechtsopvatting.
“herkansingsfunctie”van het hoger beroep (met welke term overigens de in hoger beroep aan
partijengeboden kans om in eerste aanleg gemaakte fouten of gepleegde verzuimen goed te maken pleegt te worden aangeduid) bedoelt dat de
rechter in hoger beroepsteeds de uitspraak moet kunnen doen die de rechter in eerste aanleg had behoren te doen, zonder daarbij te worden gehinderd door een inmiddels ingetreden nieuwe rechtstoestand, berust dat evenzeer als het in cassatie voorliggende arrest op een onjuiste rechtsopvatting.
“de aanbestedende dienst met het aangaan van de overeenkomst jegens de verliezende inschrijver onrechtmatig handelt doordat zij daarbij misbruik van bevoegdheid maakt (hetgeen bijvoorbeeld het geval zal kunnen zijn wanneer de aanbestedende dienst de overeenkomst aangaat met klaarblijkelijke miskenning van fundamentele beginselen van het aanbestedingsrecht)” [57] .
op andere overtredingen van de aanbestedingsregelsgebaseerd rechterlijk ingrijpen in de als resultaat van de gunningsbeslissing gesloten overeenkomst, ook niet in het geval dat de aanbestedende dienst de fundamentele beginselen van aanbestedingsrecht klaarblijkelijk heeft miskend. Daarbij wijs ik nog erop dat misbruik van bevoegdheid, zoals bedoeld in art. 3:13 BW Pro, als zodanig geen nietigheid of vernietigbaarheid impliceert van de rechtshandeling die met misbruik van bevoegdheid is verricht [60] .