ECLI:NL:PHR:2016:491
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid tot inbeslagneming en rechtmatigheid optreden verbalisanten bij drugsoverlastcontrole
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte werd vrijgesproken van het bezit van cocaïne. Het hof oordeelde dat de verbalisanten niet in de rechtmatige uitoefening van hun bediening handelden omdat zij verdachte staande hielden en zijn handen vastpakten zonder dat zij vooraf hadden vastgesteld dat verdachte een voor inbeslagneming vatbaar voorwerp in handen had. Hierdoor werd het aangetroffen zakje met drugs als onrechtmatig verkregen bewijs uitgesloten.
De advocaat-generaal stelde in zijn conclusie dat het hof te strenge eisen stelde aan de bevoegdheid tot inbeslagneming op grond van artikel 9 lid 3 Opiumwet Pro. Volgens de Hoge Raad is voldoende dat er een redelijke verdenking bestaat van de aanwezigheid van verdovende middelen, ook zonder voorafgaande waarneming van het voorwerp. Het vastpakken van de handen kan onder omstandigheden proportioneel zijn.
De Hoge Raad vernietigt het arrest voor zover het de tenlastegelegde feiten betreft en verwijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting. Tevens wijst de Hoge Raad erop dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het bewijs moest worden uitgesloten. Voor het overige wordt het cassatieberoep verworpen.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest en verwijst zaak terug voor nieuwe berechting wegens onjuiste uitleg bevoegdheid tot inbeslagneming.