ECLI:NL:HR:2010:BK3496
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- H.A.G. Splinter-van Kan
- C.H.W.M. Sterk
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bewijsuitsluiting bij het vorderen van uitspugen van drugs door opsporingsambtenaar
In deze strafzaak stond centraal of het door de opsporingsambtenaar vorderen van het uitspugen van bolletjes met vermoedelijke cocaïne door verdachte een onrechtmatig onderzoek aan het lichaam vormde, waardoor het bewijs uitgesloten zou moeten worden. De verdachte werd verdacht van het opzettelijk vervoeren en aanwezig hebben van 0,53 gram cocaïne.
De verdediging voerde aan dat het handelen van de opsporingsambtenaar, die de verdachte dwong de bolletjes uit te spugen en zijn nek omklemde, een onderzoek aan het lichaam betrof dat niet was toegestaan zonder toestemming van een hulpofficier van justitie, zoals vereist in artikel 56 Wetboek Pro van Strafvordering. Volgens de verdediging was dit bewijs onrechtmatig verkregen en moest het worden uitgesloten.
Het hof oordeelde echter dat het vorderen van het uitspugen van de bolletjes viel onder de bevoegdheid van de opsporingsambtenaar op grond van artikel 9 lid 3 van Pro de Opiumwet en dat het gebruik van geweld proportioneel en gerechtvaardigd was gezien het gevaar voor de verdachte. Het hof verwierp het verweer tot bewijsuitsluiting en veroordeelde de verdachte.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof en oordeelde dat het vorderen van het uitspugen van de bolletjes geen onderzoek aan het lichaam in de zin van artikel 56 Sv Pro was. Ook het gebruik van geweld was gerechtvaardigd en niet disproportioneel. Het cassatieberoep werd verworpen. De redelijke termijn was overschreden, maar dit leidde niet tot rechtsgevolgen gezien de lichte straf.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het bewijs wordt niet uitgesloten; de veroordeling blijft in stand.