Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
. [1]
Parket bij de Hoge Raad
Belanghebbende was eigenaar van een loods die onderverdeeld was in meerdere units, elk met een aansluiting op de gemeentelijke riolering. De gemeente Steenwijkerland legde zeven aanslagen rioolheffing op, gebaseerd op zeven percelen volgens de Wet WOZ-objectafbakening. Belanghebbende stelde dat zijn loods gelijk behandeld moest worden als een recreatieterrein dat volgens de verordening als één perceel wordt aangemerkt, en dat de gemeente hiermee het gelijkheidsbeginsel schond.
De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de units afzonderlijk als percelen konden worden aangemerkt. Het Hof oordeelde echter dat de loods en recreatieterreinen op relevante punten niet verschillen en dat de ongelijke behandeling zonder rechtvaardiging is, waardoor de aanslagen vernietigd werden.
Het College stelde in cassatie dat het Hof ten onrechte de situaties als gelijk heeft aangemerkt en dat de efficiency van de WOZ-afbakening een rechtvaardiging vormt. Ook betoogde het College dat het Hof ten onrechte alle aanslagen vernietigde in plaats van een proportionele vermindering toe te passen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal is dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat sprake is van ongelijke behandeling van gelijke gevallen zonder voldoende rechtvaardiging, en dat de vernietiging van de aanslagen passend is. De cassatie wordt daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van het College ongegrond en bevestigt de vernietiging van de aanslagen rioolheffing wegens strijd met het gelijkheidsbeginsel.