Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Noord-Hollandvan 14 februari 2013, nr. AWB 13/98, betreffende een aanslag in de schenkbelasting.
Hoge Raad
Belanghebbende was in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland over een aanslag schenkbelasting op een verkrijging in 2011. De kern van het geschil betrof de vraag of de bedrijfsopvolgingsfaciliteit, die een fiscale vrijstelling biedt voor ondernemingsvermogen, in strijd is met het discriminatieverbod uit het IVBPR en EVRM.
De Rechtbank had geoordeeld dat de faciliteit gerechtvaardigd is omdat zij beoogt de continuïteit van ondernemingen te waarborgen en liquiditeitsproblemen bij bedrijfsopvolging te voorkomen. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en benadrukte de ruime beoordelingsvrijheid van de wetgever op fiscaal terrein. De faciliteit is gebaseerd op redelijke en objectieve rechtvaardigingen en is niet evident onredelijk.
De Hoge Raad overwoog uitgebreid de wetsgeschiedenis en beleidsmotieven achter de faciliteit, waaronder het belang van familiebedrijven voor werkgelegenheid en economische diversiteit. Het arrest bevestigt dat het onderscheid tussen ondernemingsvermogen en ander vermogen voor de heffing van schenk- en erfbelasting gerechtvaardigd is en dat de faciliteit niet leidt tot verboden discriminatie.
De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond en bevestigde daarmee de uitspraak van de Rechtbank. De procedurekosten werden niet toegewezen vanwege afspraken tussen partijen.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en bevestigt dat de bedrijfsopvolgingsfaciliteit niet in strijd is met het discriminatieverbod.