Conclusie
eerste middelklaagt dat het oordeel van het hof dat sprake was van ontucht in de zin van art. 249, tweede lid onder 3°, Sr blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel zonder nadere motivering (die ontbreekt) onbegrijpelijk is.
Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde
Ontucht
Feit 1
NJ1997/485 m.nt. ‘t Hart, is mij niet duidelijk. In dat arrest heeft de Hoge Raad immers overwogen:
tweede middelklaagt over ‘s hofs gebruikmaking van een schakelbewijsconstructie, nu de feiten die het hof heeft willen schakelen te verschillend zijn om met elkaar in verband te brengen, zodat de tot het bewijs gebezigde bewijsmiddelen de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde niet kunnen dragen.
“Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde
Beide aangeefsters hebben verklaard dat het lichamelijke contact van de verdachte jegens hen, vanaf het moment dat hij seksueel getinte sms’jes verzond, langzaam toenam en over ging in betasten. Aangeefsters verklaren afzonderlijk onder andere over nagenoeg identieke handelingen, te weten het betasten van de borsten onder de kleding, het betasten van de schaamstreek en de hand van aangeefsters richting zijn penis brengen. De rechtbank is gelet op het bovenstaande van oordeel dat de gang van zaken in beide zaken op bovengenoemde, essentiële punten overeenkomt zodat er sprake is van feiten die voor wat betreft het patroon van handelen gelijksoortig zijn. De aangifte van [slachtoffer 2] wordt in voldoende mate ondersteund door overige bewijsmiddelen. Mitsdien, alles in samenhang bezien, is er voldoende wettig bewijs in het dossier aanwezig. De rechtbank heeft uit die wettige bewijsmiddelen voorts de overtuiging bekomen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.”
derde middelklaagt dat het hof heeft verzuimd te vermelden op welke gronden ernstig rekening ermee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen (AG: kennelijk als bedoeld in art. 14e, eerste lid, Sr).
Stelt als bijzondere voorwaardedat de veroordeelde verplicht is zich gedurende de volledige proeftijd op dagen en tijdstippen door de reclassering te bepalen te melden bij de reclassering te Zutphen, Toezichtunit 3 Oost en zich te blijven melden, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.
NJ2015/236 m.nt. Vellinga-Schootstra, dat een rechterlijke uitspraak in de regel pas tenuitvoergelegd mag worden nadat zij onherroepelijk is geworden en dat de in art. 14e Sr voorziene uitzondering op deze regel met betrekking tot de dadelijke uitvoerbaarheid van de op grond van art. 14c Sr gestelde bijzondere voorwaarden dan wel het op grond van art. 14d Sr uit te oefenen toezicht - ook volgens de wetsgeschiedenis - voor de veroordeelde verstrekkende gevolgen kan hebben. [7] Mede gelet daarop zal de rechter in de motivering van zijn bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid ervan blijk dienen te geven zich ervan te hebben vergewist dat aan de in art. 14e Sr gestelde voorwaarden is voldaan. Meer in het bijzonder zal hij in een uitspraak waarin ten laste van de verdachte een misdrijf is bewezenverklaard dat is gericht tegen of gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, als zijn oordeel tot uitdrukking dienen te brengen dat en waarom ernstig rekening ermee moet worden gehouden dat de verdachte wederom zo een misdrijf zal begaan.