Conclusie
[verweerster 1]
[verweerder 2] ,
1.Feiten en procesverloop
Besluit
[verweerster 1]worden uitgekeerd (via de derdenrekening van Van Putten Van Apeldoorn notarissen te Ede);
[B] B.V., (...) en [betrokkene 1]. (...) in privé.
grieven 1 tot en met 8keren [verweerster c.s.] zich tegen het oordeel van de rechtbank dat sprake is geweest van kennelijk onbehoorlijk bestuur door mee te werken aan het tot stand komen van het dividendbesluit en dit besluit uit te voeren, alsmede dat dit een belangrijke oorzaak is geweest van het faillissement. Zij bestrijden dat de post debiteuren bij de aandelenoverdracht onjuist is gewaardeerd en dat er onvoldoende vrije reserves aanwezig waren om tot de dividenduitkering over te gaan. Verder bestrijden zij dat het dividendbesluit en de dividenduitkering de liquiditeitspositie van [A] hebben beïnvloed of haar solvabiliteit en leencapaciteit hebben aangetast.
grief 9, waarmee [verweerster c.s.] hun subsidiaire beroep op matiging aan de orde stellen, behoeft bij deze uitkomst niet meer te worden ingegaan.
subsidiaire vordering, gegrond op onrechtmatige daad, heeft de curator gebaseerd op dezelfde stellingen als die hij voor de primaire vordering heeft aangevoerd (de curator heeft dit tijdens de comparitie van partijen in eerste aanleg met zoveel woorden bevestigd). De verwijten die de curator ten aanzien van de medewerking aan de totstandkoming en uitvoering van het dividendbesluit aan [verweerster c.s.] maakt, onderschrijft het hof - zoals uit het voorgaande blijkt - echter niet. Voor de stelling dat [verweerster c.s.] onrechtmatig hebben gehandeld jegens de crediteuren van [A] ziet het hof dan ook onvoldoende grond. Dit geldt ook voor de (niet nader toegelichte, maar kennelijk op dezelfde verwijten gebaseerde) stelling van de curator dat [verweerster 1] ook in haar hoedanigheid van aandeelhouder tegenover de crediteuren van [A] onrechtmatig heeft gehandeld (zie inleidende dagvaarding, randnummer 28). De subsidiaire vordering zal daarom eveneens worden afgewezen.
2.Beoordeling van het cassatieberoep
Onderdeel 1.1betoogt dat het hof (in rov. 4.10) heeft geconcludeerd dat van onbehoorlijk bestuur niet kan worden gesproken. Daartoe heeft het hof (in rov. 4.8) geoordeeld dat niet kan worden gezegd dat het besluit om de volledige vrije reserves (volgens een tussentijdse balans per 30 juni 2007) uit te keren, onverantwoord of niet geoorloofd was omdat mocht worden aangenomen dat de vrije reserves ten tijde van de dividenduitkering ten minste gelijk waren aan het per 30 juni 2007 vastgestelde bedrag. Aan dit oordeel ligt onder andere ten grondslag dat geen nadere afwaardering of reservering ten laste van de debiteuren behoefde plaats te vinden (rov. 4.7). Deze oordelen zijn onbegrijpelijk in het licht van het volgende.
om daarmee de overname mogelijk te maken. In rov. 4.9 heeft het hof geoordeeld dat [verweerster 1] tijdens het pleidooi onbetwist heeft gesteld dat de leencapaciteit al voor het dividendbesluit ten volle was benut, dat om die reden binnen de familie geld moest worden geleend en
moeder [...] daartoe slechts bereid was om de aandelenoverdracht te kunnen laten plaatsvinden. Tegen voorgaande achtergrond is er geen basis voor de veronderstelling dat de moeder ook anderszins financieringsbereid zou zijn geweest ten behoeve van [A] en dat de liquiditeiten uit die financiering ook dan voor [A] resp. haar schuldeisers beschikhaar zouden zijn geweest. Aangezien ook de rechtsklacht aan het slot van het onderdeel ten onrechte die financieringsbereidheid van de moeder tot uitgangspunt neemt, gaat de klacht dat het in dat licht (veeleer) aan [verweerster c.s.] was om gemotiveerd te stellen waarom de dividenduitkering niet ten koste ging van de leencapaciteit van [A] niet op. Het onderdeel faalt.
Onderdeel 1.3klaagt dat in het licht van subonderdeel 1.2 's hofs overige oordelen in rov. 4.10 eveneens onbegrijpelijk zijn. Aangezien de uit hoofde van de financieringsbereidheid van moeder [...] beschikbare liquiditeiten zijn gebruikt om een groot deel van het dividend contant te betalen, aan [verweerster 1] en de schuldenlast van [A] door de dividenduitkering met 60% is vergroot, valt zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet in te zien dat de liquiditeiten van [A] niet zijn aangewend voor het dividend en evenmin dat de dividenduitkering de liquiditeitspositie van [A] niet heeft aangetast of haar financiële basis (onverantwoord) heeft verzwakt. Dat op de leningen niet is afgelost en ook geen rente is betaald, doet (reeds daarom) niet terzake. Afgezien daarvan was rente wel degelijk verschuldigd, doch pas aan het einde van het jaar. Voorts moest op de lening aan [verweerster 1] vanaf 1 april 2008 maandelijks worden afgelost en zou de lening aan [betrokkene 1] ook op enig moment (uiterlijk bij faillissement) moeten worden afgelost. Ook daarom valt niet in te zien dat de leningen niet ten koste gingen (of konden gaan) van de liquiditeitspositie c.q. de financiële basis c.q. van andere crediteuren. Bij gegrondbevinding van de klachten van dit subonderdeel 1.3 komt (ook) de basis te ontvallen aan 's hofs oordeel (in rov. 4.10) dat niet valt aan te nemen dat het dividendbesluit c.q. de dividenduitkering een belangrijke oorzaak is van het faillissement.
Onderdeel 3.2klaagt dat, voor zover bij het slagen van een of meer van de klachten van onderdeel 1 de basis komt te ontvallen aan 's hofs oordeel dat op 29 februari 2008 de vrije reserves ten minste gelijk waren aan het op 30 juni 2007 in de tussenbalans vastgestelde bedrag, daarmee tevens de grondslag komt te ontvallen aan 's hofs oordeel (in rov. 4.13) dat de (tussentijdse), dividenduitkering niet nietig is gelet op art. 2:216 lid 2 en Pro 4 BW c.q. art 20 van Pro de statuten.
Voor zover bij de statuten niet anders is bepaald, komt de winst de aandeelhouders ten goede.
De vennootschap kan aan de aandeelhouders en andere gerechtigden tot de voor uitkering vatbare winst slechts uitkeringen doen voor zover het eigen vermogen groter is dan het gestorte en opgevraagde deel van het kapitaal vermeerderd met de reserves die krachtens de wet of de statuten moeten worden aangehouden.
Uitkering van winst geschiedt na de vaststelling van de jaarrekening waaruit blijkt dat zij geoorloofd is.
De vennootschap mag tussentijds slechts uitkeringen doen, indien de statuten dit toelaten en aan het vereiste van het tweede lid is voldaan.