Conclusie
Zitting: 29 juni 2016
[verzoeker]wonende te [woonplaats](hierna: [verzoeker] )
Procesverloop
Bij vonnis van dezelfde datum heeft de rechtbank Den Haag ook het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat onvoldoende aannemelijk is dat [verzoeker] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest (art. 288 lid 1 aanhef Pro en onder b Fw). Voorts overweegt de rechtbank het volgende:
Het cassatiemiddel
Tweede onderdeel: ambtshalve opvragen van justitiële documentatie
indien de schuldenaar schulden heeft welke voortvloeien uit een onherroepelijke veroordeling als bedoeld in artikel 358, vierde lid, ter zake van een of meer misdrijven, welke veroordeling onherroepelijk is geworden binnen vijf jaar vóór de dag van het verzoekschrift, tenzij de rechter aanleiding ziet om een langere termijn in acht te nemen”. Art. 358, vierde lid, Fw bepaalt dat niet onder de schone lei vallen schulden die voortvloeien uit een in kracht van gewijsde gegane veroordeling:
a. tot betaling van een geldboete als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder 4, van het Wetboek van Strafrecht,
b. tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht,
c. tot betaling van een geldbedrag ten behoeve van het slachtoffer als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, of
d. tot betaling van een schadevergoeding aan een benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a Wetboek van Strafvordering en
om vorderingen die voortvloeien uit een in kracht van gewijsde gegane veroordeling tot betaling van schadevergoeding die is vastgesteld door de burgerlijke rechter nadat de strafrechter die over het misdrijf of de overtreding heeft geoordeeld, heeft vastgesteld dat de vordering tot betaling van schadevergoeding of een deel daarvan slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
In het navolgende zullen deze schulden worden aangeduid als 'strafrechtelijke schulden'.
hard and fast rules'), wat tot een beheersing van de werklast voor de rechter zou kunnen leiden. [1] De weigeringsgronden zijn ook limitatief. Dit brengt mee, zo is in de wetsgeschiedenis vermeld, dat de rechter het verzoek niet mag afwijzen op een andere grond dan die in art. 288 Fw Pro zijn vermeld. [2] Ook de belangen van schuldeisers mogen geen rol spelen bij de beslissing tot toelating. [3]
ii) De informatieplicht van de verzoeker
omdat rechter en bewindvoerder aan het einde van de schuldhulpverleningsketen staan en dus sterk afhankelijk zijn van hetgeen hen aangeboden wordt, meer nadruk [is] gelegd op een complete aanlevering”
. [6] De regeling van art. 285 lid 1 Fw Pro vloeit voort uit de algemene informatieplicht van de schuldenaar, zoals die daarvoor al in de rechtspraak werd aangenomen. [7] Deze algemene informatieplicht van de schuldenaar blijkt ook uit de restcategorie van stukken die verzoeker moet aanleveren, vermeld in art. 285 lid Pro 1, aanhef en sub 1, Fw: behalve de onder a tot en met h genoemde stukken moet worden bijgevoegd “
een opgave van andere gegevens van belang om een zo getrouw mogelijk beeld te bieden van de vermogens- en inkomenspositie van de schuldenaar en van de mogelijkheden voor schuldsanering”. [8]
indien sprake is van schulden bij het CJIB, een opgave van het CJIB waarin deze schulden worden gespecificeerd." Deze eis is niet opgenomen in art. 285 lid 1 Fw Pro.
Voorts is onder j van art. 3.1.2.6 opgenomen dat bij het verzoekschrift moet worden gevoegd “
indien sprake is van schulden die samenhangen met een strafrechtelijke veroordeling en/of tot schadevergoeding aan een benadeelde wegens het plegen van een misdrijf, een specificatie van deze schulden en een kopie van het strafvonnis.” Deze eis hangt kennelijk samen met de weigeringsgrond van art. 288 lid Pro 2, sub c, Fw, maar zij is niet te vinden in art. 285 lid 1 Fw Pro.
Ten slotte is aan het eind van art. 3.1.2.6 van het Procesreglement insolventiezaken vermeld: "
De rechtbank kan om toezending van aanvullende stukken verzoeken."
De primaire ingang voor de rechter om de herkomst van schulden te achterhalen, is de schuldenlijst ex art. 96 Fw Pro, die op grond van art. 285 lid 1 sub a Fw Pro bij het verzoekschrift moet worden gevoegd. Op deze lijst wordt een overzicht gegeven van alle schulden, de hoogte daarvan en de namen van de schuldeisers. Ook schulden die betaald moeten worden aan het CJIB zijn - vaak als een totaalbedrag - op deze lijst vermeld. Soms moet op een schuldenlijst per schuld worden aangegeven of het gaat om een fraudevordering of een vordering van strafrechtelijke aard. Overigens geeft de schuldenlijst niet altijd duidelijkheid over herkomst en aard van de schuld. Zo is niet op alle schuldenlijsten te zien wie de oorspronkelijke schuldeiser is, met name wanneer schulden overgedragen zijn aan een incassobureau. De rechter zal zo nodig kunnen vragen naar aard en ontstaan van een schuld; zie daarover nader onder punt 15.
allestrafrechtelijke schulden vermeld. Aan de codes op de opgave is te zien wat de aard van de boete is. De opgave, althans een bijlage daarbij, vermeldt ook het verloop van de hoogte van de boete (ophoging door niet tijdig betalen).
Teneinde de rechter een zo volledig mogelijk inzicht te geven in de situatie waarin de schuldenaar zicht[sic]
bevindt, is in het nieuwe derde lid de rechter uitdrukkelijk de mogelijkheid gegeven de schuldenaar op de zitting vragen te stellen teneinde zijn verklaring mondeling toe te lichten. Het stellen van vragen over de verklaring zal nooit in de plaats kunnen treden van een volstrekt ontoereikende verklaring en dient enkel ter toelichting van vragen die open blijven naar aanleiding van de verklaring.” [9]
Bij het verzoekschrift en de bijlagen bij het verzoekschrift is een lijst gevoegd van de schulden en doorgaans staat daarin ook vermeld wanneer die zijn ontstaan. Daaruit blijkt wat de aard van de schulden is (fraude, strafrechtelijke veroordeling, boete (…)
Een ander aspect van de actieve taak van de rechter in schuldsaneringsregeling is dat sommige schuldenaren moeite hebben met de eisen die het maatschappelijk verkeer aan hen stelt, bijvoorbeeld door analfabetisme of psychische problematiek. Ook hierop zal de rechter ambtshalve acht moeten slaan. Dit kan ertoe leiden dat de rechter een schuldenaar adviseert - soms als voorwaarde om in de schuldsaneringsregeling te komen - om budgetbeheer aan te vragen of andere vormen van maatschappelijke ondersteuning te zoeken.
ten behoeve van de rechtspleging” justitiële gegevens worden verstrekt aan Nederlandse rechterlijke ambtenaren. Uitgangspunt van de wetgever was dat het OM en rechters de beschikking konden krijgen over alle gegevens over de beslissingen die het OM of de rechter ten aanzien van betrokkene hebben genomen. Daaronder vallen ook sepotbeslissingen, transactiebeslissingen en strafbeschikkingen van het OM (art. 7 Besluit Pro justitiële en strafvorderlijke gegevens). In het oorspronkelijke wetsvoorstel was de verstrekking van gegevens beperkt tot die aan rechterlijke ambtenaren en de minister ten behoeve van de strafrechtspleging. [14] Dat uitgangspunt is tijdens het wetgevingsproces verruimd en als gevolg daarvan is in art. 8 lid 1 Wjsg Pro opgenomen dat ten behoeve van de rechtspleging justitiële gegevens kunnen worden verstrekt aan (alle) rechterlijke ambtenaren. In de wetsgeschiedenis is hierover het volgende vermeld: [15]
"In onderdeel K wordt artikel 8 geherformuleerd Pro. Daarbij is het doel waarvoor de rechterlijke ambtenaren justitiële gegevens kunnen verkrijgen verruimd. Rechterlijk ambtenaren hebben immers niet alleen behoefte aan justitiële gegevens in strafzaken, maar ook in bijvoorbeeld civielrechtelijke zaken. Gedacht kan hierbij worden aan ondertoezichtstellingen. Deze mogelijkheid is thans neergelegd in het eerste lid."
carte blancheoplevert voor
allerechters om in
allesoorten van zaken naar eigen inzicht het uittreksel justitiële gegevens op te vragen. Dat het voor de strafrechter van belang is om te weten wat er in het uittreksel justitiële gegevens bekend is over een verdachte, staat buiten kijf. Maar is het voor de civiele rechter of de bestuursrechter ook van belang om kennis te nemen van het uittreksel justitiële gegevens van een partij? En wanneer is dat dan het geval? Het criterium 'ten behoeve van de rechtspleging' is zodanig ruim, dat dit geen houvast biedt. Het komt mij voor dat het kennisnemen van het uittreksel justitiële gegevens door de rechter in andere zaken dan strafzaken, op enige wijze gebonden moet zijn aan nadere regels of criteria. Hierbij is aan te tekenen dat de Wsjg voor het opvragen en kennisnemen van justitiële gegevens door anderen dan rechtelijke ambtenaren, vereist dat sprake is van een
noodzaakdaartoe of van een
zwaarwegend algemeen belang en voor een goede taakuitoefening(zie bijv. art. 8a, 19, 13 Wsjg). Ook
strafvorderlijkegegevens (dat zijn andere gegevens dan justitiële gegevens, zie art. 1 lid 1 sub b Wjsg Pro) aan rechterlijke ambtenaren vindt slechts plaats voor zover dit noodzakelijk is met het oog op een zwaarwegend algemeen belang (art. 39e Wjsg). Het zou in de rede liggen dat de rechter in andere zaken dan strafzaken vergelijkbare criteria hanteert bij de beslissing om het uittreksel justitiële gegevens van een partij te raadplegen.
must afford adequate legal protection against arbitrariness and accordingly indicate with sufficient clarity the scope of discretion conferred on the competent authorities and the manner of its exercise’, waarbij het EHRM opmerkt dat ‘
the level of precision required of domestic legislation (…) depends to a considerable degree on the content of the instrument in question, the field it is designed to cover and the number and status of those to whom it is addressed’. [20] Het EHRM stelt in dat verband bijvoorbeeld striktere eisen op het moment dat sprake is van gevoelige informatie waarvan openbaarmaking zeer vergaande gevolgen kan hebben, zoals bij gegevens inzake een strafblad. [21]
Avilkina and Others v. Russia– waarin de officier van justitie medische gegevens had opgevraagd van personen die (niet als verdachten) bij een zaak betrokken waren – overwoog het EHRM dat de officier van justitie er ook voor had kunnen kiezen om vooraf toestemming van de betrokken personen te krijgen om deze informatie op te vragen of in ieder geval aan deze personen te vragen of zij hier bezwaar tegen hadden. [24]
Wel is er kritiek op de ingewikkeldheid van de regeling van de gegevensverstrekking aan personen of instanties die met een publieke taak zijn belast. De regeling wordt gedetailleerd wanneer anderen dan leden van de rechterlijke macht inlichtingen uit het justitiële documentatieregister wensen. Bij het verstrekken van gegevens aan deze andere personen of instanties is evenwel een juiste afweging van de tegengestelde aspecten waarmee dit wetsvoorstel rekening houdt, te weten criminaliteitspreventie en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de geregistreerden, van belang. Een bevredigende regeling van algemene strekking kan slechts worden bereikt door een gedetailleerde aanwijzing van justitiële gegevens die verstrekt mogen worden. Op deze manier wordt bereikt dat, rekening houdend met beide hiervoor genoemde aspecten, aan bepaalde, in een algemene maatregel van bestuur aangewezen, derden niet meer gegevens dan strikt nodig kunnen worden verstrekt. Daarmee is tevens het gesloten systeem van gegevensverstrekking gewaarborgd.”
altijdopvragen en anderen nooit. Het is ook mogelijk dat een of meerdere rechtbanken
in bepaalde gevalleneen uittreksel justitiële gegevens opvragen. Niet bekend is welke criteria daarvoor dan worden gehanteerd. Daarmee ontbreekt elke transparantie van de door de rechtbank gehanteerde werkwijze en ligt strijd met zowel het beginsel van het verbod van willekeur als het gelijkheidsbeginsel op de loer.
ad hocdaarop kan reageren, lijkt mij een onvoldoende weerlegging van dit probleem. Het gaat immers niet om bekendheid met de strafrechtelijke veroordeling, maar om de afwezigheid van bekendheid met de omstandigheid dat de strafrechtelijke veroordeling een rol kan spelen bij de beslissing tot toelating tot de schuldsaneringsregeling en, meer specifiek, de invloed op een bepaalde toelatings- of afwijzingsgrond van die strafrechtelijke veroordeling.
Bovendien is betrokkene met deze gang van zaken de mogelijkheid ontnomen om eerst zelf kennis te nemen van de inhoud van die gegevens en daarvan in voorkomende gevallen verbetering te verzoeken (zie art. 18 en Pro art. 22 Wjsg Pro).
welk doelde rechter een uittreksel justitiële documentatie opvraagt. [28] Hierbij is van belang om voorop te stellen dat de omstandigheid dat iemand veroordeeld is voor een strafbaar feit, op zichzelf genomen geen grond oplevert om betrokkene toelating tot de Wsnp te ontzeggen. Zoals hiervoor is besproken (punt 8) zijn de weigeringsgronden voor toelating in art. 288 Fw Pro immers limitatief opgesomd. Het veroordeeld zijn voor een strafbaar feit is niet opgenomen als weigeringsgrond.
Het is echter denkbaar dat de schuldenaar schulden heeft die samenhangen met een door hem gepleegd strafbaar feit, die níet voorkomen op de opgave van het CJIB. Zo is een civielrechtelijke schuld aan een slachtoffer van het strafbare feit, voor zover die niet door het CJIB wordt geïnd (een schadevergoedingsmaatregel wordt wel door het CJIB geïnd), niet op de CJIB-opgave vermeld. Zo'n schuld zou wel aan toelating tot de schuldsaneringsregeling in de weg kunnen staan. Een dergelijke schuld is echter ook niet vermeld in het uittreksel justitiële gegevens, zodat het uittreksel ook op dit punt geen toegevoegde waarde heeft.
in relatie tot het ontstaan en onbetaald laten van schulden. Een algemene toets van de moraliteit van de schuldenaar, los van zijn schuldenproblematiek, is in het kader van de Wsnp niet aan de orde. [30] Wanneer er geen strafrechtelijke schulden zijn, voegt informatie uit het uittreksel justitiële gegevens dan ook niets toe aan de goede trouw-toets. Wanneer die schulden er wel zijn, blijken ze uit de opgave van het CJIB en kan de rechter op grond van art. 3.1.2.6 onder j van het Procesreglement insolventiezaken om een afschrift van het strafvonnis vragen.
welkeverplichtingen de schuldenaar niet na zal kunnen komen. Bovendien zal gemotiveerd moeten worden wat de relatie is tussen het gepleegde strafbare feit en de verwachting dat een bepaalde verplichting niet naar behoren zal worden nagekomen.
Last but not leastlevert deze handelwijze strijd op met art. 8 EVRM Pro, omdat de inmenging in het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer niet voldoet aan de eis dat deze ‘foreseeable’ is.